ECLI:NL:HR:1941:13
Hoge Raad
- Cassatie
- Heeren van Gelein Vitringa
- Fick
- Nypels
- Meckmann
- van der Meulen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke vergunningen voor handelsvestiging op openbaar Merwedekanaal
De zaak betreft een geschil tussen een vennootschap en de Staat over de terugvordering van betaalde vergoedingen voor het gebruik van het Merwedekanaal. De vennootschap had van de Minister van Waterstaat publiekrechtelijke vergunningen verkregen om met vaartuigen handel te drijven in het kanaal. Daarnaast sloot zij privaatrechtelijke overeenkomsten met het Domeinbestuur, waarbij zij een vergoeding betaalde voor het gebruik van het kanaal.
De vennootschap vorderde terugbetaling van deze vergoedingen, stellende dat de privaatrechtelijke overeenkomsten zonder oorzaak waren, omdat de publiekrechtelijke vergunning reeds het gebruik toestond. Zowel de rechtbank als het hof verwierpen deze stelling en wezen de vordering af.
De Hoge Raad overwoog dat de publiekrechtelijke vergunning slechts het verbod op handelsvestiging opheft, maar geen bevoegdheid verleent om het kanaal als vermogensobject van de Staat anders te gebruiken dan toegestaan. De privaatrechtelijke overeenkomsten gaven de vennootschap een bevoegdheid die zij anders niet had kunnen verkrijgen, namelijk het vestigen met vaartuigen voor handel in het kanaal. Deze overeenkomsten hadden daardoor een geoorloofde oorzaak.
Ook de stelling dat de wet van 22 juli 1899 het heffen van rechten door de Staat voor het gebruik van kanalen afschaft, en daarmee de overeenkomsten ongeldig zou maken, werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat civielrechtelijke overeenkomsten die een ander gebruik toestaan dan het gewone verkeer, tegen vergoeding geldig kunnen zijn.
Het beroep werd verworpen en de vennootschap werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het beroep van de vennootschap wordt verworpen en de privaatrechtelijke overeenkomsten worden als geoorloofd bevestigd.