Uitspraak
naiedere daad een aanvang neemt;
Hoge Raad
In deze zaak vordert Eduard Lodewijk Willem van Dobben dat Wilhelm Johannes Waaning wordt verboden de handelsnaam en merk Gebr. Waaning Tilly te gebruiken voor haarlemmerolie, omdat dit verwarring schept met het oudere bedrijf van Van Dobben. Van Dobben stelt dat Waaning oneerlijke concurrentie pleegt door gebruik van verwarringwekkende namen, initialen en verpakkingen die de indruk wekken dat zijn bedrijf een voortzetting is van het oude bedrijf van Claes Tilly.
De rechtbank heeft het verbod toegewezen en Waaning veroordeeld tot betaling van een dwangsom en schadevergoeding. Waaning stelde verjaring en rechtsverwerking als verweer, maar deze werden door de rechtbank en het hof verworpen. Het hof oordeelde dat elke daad van oneerlijke mededinging een eigen verjaringstermijn van 30 jaar heeft en dat stilzitten van Van Dobben niet leidt tot afstand van rechten.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep van Waaning af. De Hoge Raad benadrukt dat het voortdurende gebruik van een verwarringwekkende handelsnaam en merk telkens een nieuwe onrechtmatige daad oplevert met een eigen verjaringstermijn. Ook is geen sprake van rechtsverwerking door Van Dobben, omdat geen uitdrukkelijke of stilzwijgende afstand van rechten is bewezen. De kosten van het cassatiegeding worden aan Waaning opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Waaning wordt verworpen en het verbod op het gebruik van de handelsnaam en het merk wordt bevestigd.