Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
TMG/Staaten
Parkeergarage Zandvoortdat de schade is veroorzaakt door een voortdurende gebeurtenis, dan wel opeenvolgende gebeurtenissen, en dat daarom de rechtsvordering tot vergoeding van schade nog niet is verjaard. Mijns inziens treffen de klachten van het middel in zoverre geen doel. Het hof heeft terecht de nalatigheid van de notaris als een eenmalige gebeurtenis geduid.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Haarlemmerolieuit 1949 [7] en een aantekening in GS Vermogensrecht. [8] In cassatie [9] beroept de vrouw zich op twee recente arresten van uw Raad, namelijk
TMG/Staat [10] en
Parkeergarage Zandvoort. [11]
Haarlemmeroliebetrof de algemene verjaringstermijn naar oud recht van art. 2004 BW Pro (oud), volgens welke alle rechtsvorderingen verjaarden door het verloop van dertig jaren. De zaak betrof oneerlijke mededinging in de vorm van inbreuk op een merk en/of handelsnaam. Volgens het arrest vangt na elke herhaling van de inbreuk een nieuwe verjaringstermijn aan:
om niet te doen, begint met de aanvang van de dag volgende op die waarop inbreuk op de verplichting heeft plaatsgevonden. Deze bepaling is in het regeringsontwerp geschrapt. De wetgever vond het te ver gaan dat iedere, ook de geringste, inbreuk tot verjaring zou kunnen leiden, met als gevolg dat tegen nieuwe inbreuken niet meer zou kunnen worden opgekomen. [13] Daarbij werd in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer verwezen naar het arrest
Haarlemmerolie. Wél juist werd bevonden dat de verjaring aanvangt indien de inbreuk bestaat in een met de verplichting strijdige
toestand. Dit leidde tot de invoeging van de bepaling van het huidige art. 3:314 BW Pro.
TMG/Staatziet op art. 3:310 lid 1 BW Pro, maar niet op de lange verjaringstermijn van twintig jaar, maar op de korte termijn van vijf jaar, die begint te lopen op het moment waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Voor die korte termijn geldt dat in beginsel wordt geabstraheerd van de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. [14] Rechtsdwaling blijft aldus voor rekening van de benadeelde.
TMG/Staatbetreft een onjuiste implementatie van een EU-richtlijn. Dat die implementatie onjuist was, bleek eerst later uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. Op het eerste gezicht zou de regel dat van de juridische beoordeling van de bij de benadeelde bekende feiten en omstandigheden wordt geabstraheerd, ertoe leiden dat na verloop van vijf jaar sinds de implementatietermijn, althans sinds de onjuiste implementatie, de Staat in het geheel niet meer aansprakelijk is. Uw Raad besliste echter anders:
Parkeergarage Zandvoortziet op de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro en betreft de aansprakelijkheid voor opstallen. Die risico-aansprakelijkheid is niet verbonden aan een schadeveroorzakende gedraging (zoals de gewone aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van art. 6:162 BW Pro dat wel is), maar aan een schadeveroorzakende toestand, namelijk dat de opstal ‘niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen’ (art. 6:174 lid 1 BW Pro). Bijzonderheid van de zaak was dat de gebeurtenis die de schade veroorzaakte een voortdurend karakter droeg. In een overweging ten overvloede heeft uw Raad overwogen:
Haarlemmeroliezag op inbreuken op een verplichting om niet te doen. De vrouw verwijt de notaris dat hij niet heeft gedaan wat hij juist wel moest doen (namelijk de huwelijkse voorwaarden doen inschrijven, respectievelijk controleren of inschrijving had plaatsgevonden). De wetsgeschiedenis van art. 3:313 BW Pro, waarop in GS Vermogensrecht wordt gewezen, heeft betrekking op een vordering tot nakoming in het geval van een inbreuk op een verplichting om niet te doen. De vrouw vordert niet nakoming maar schadevergoeding; grondslag daarvoor is een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis om te doen. Het arrest
TMG/Staatziet op de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro. De notaris beroept zich tegenover de vrouw op de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro. Het arrest
Parkeergarage Zandvoortziet op aansprakelijkheid voor een schadeveroorzakende toestand. De vrouw houdt de notaris aansprakelijk voor een schadeveroorzakende gedraging, te weten een nalaten.
Parkeergarage Zandvoort.Uw Raad heeft de regel dat de termijn begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan, geformuleerd voor ‘een geval als dit’ (vijfde volzin van rechtsoverweging 3.5.2), zodat – in ieder geval op het eerste gezicht – het bereik van de nieuwe regel beperkt is. Naar aanleiding van het arrest is door Stein [15] en Smeehuijzen [16] echter opgemerkt dat de voor de regel gebezigde argumentatie (onzekerheid over het aanvangsmoment van de verjaring, wat zich niet goed verhoudt met de rechtszekerheid die met de lange verjaringstermijn wordt beoogd) voor alle gevallen van voortdurende onrechtmatige daden respectievelijk van voortdurende schadeveroorzakende gebeurtenissen opgaat. Zij menen daarom dat de nieuwe regel al die gevallen bestrijkt, althans behoort te bestrijken. In andere zin hebben Berends en Den Hollander zich uitgelaten; zij beperken het toepassingsgebied van de nieuwe regel tot het specifieke gevalstype van de Zandvoortse zaak. [17] Er bestaat dus onduidelijkheid over de reikwijdte van de regel van
Parkeergarage Zandvoort. Mijns inziens kan intussen niet worden gezegd dat de vrouw met haar standpunt Stein en Smeehuijzen aan haar kant heeft, in ieder geval niet zonder meer.
in concreto.Een andere opvatting leidt ertoe dat tóch een inhoudelijk debat nodig wordt over decennia oude feiten. Bovendien is uitstraling naar andere gevallen onvermijdelijk: nuanceren in individuele gevallen maakt in volgende gevallen schuldenaren onzeker.
allevoortdurende schadeveroorzakende gebeurtenissen geldt dat de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan (vergelijk de discussie in de literatuur hiervoor 3.10 e.v. bedoeld).
TMG/Staat. Met het geval van de nalatigheid van de notaris is er in ieder geval in zoverre overeenstemming dat het arrest betrekking heeft op een nalaten van een verplichting om te doen. En hoewel de beslissing in het arrest op de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro zag, valt aan te nemen dat de uitleg volgens welke het nalaten van de wetgever om Europese richtlijnen juist te implementeren iedere dag een zelfstandige onrechtmatige daad van de Staat oplevert, ook voor de lange verjaringstermijn gevolgen heeft, in de zin dat dagelijks een nieuwe termijn van twintig jaar gaat lopen voor de schade die is veroorzaakt door het nalaten van de wetgever zoals dat die dag heeft plaatsgevonden. Toch geloof ik niet dat aan het arrest
TMG/Staatiets kan worden ontleend voor de beslissing van het geval van de nalatige notaris. Dat de plicht van de wetgever om Europese richtlijnen juist te implementeren in
TMG/Staatdoor uw Raad als een dagelijkse verplichting is geduid, houdt klaarblijkelijk verband met de eis van effectieve rechtsbescherming tegen schendingen van Europees recht, [23] zoals die eis uit het zogenaamde doeltreffendheidsbeginsel voortvloeit. [24] Een andere duiding van het aanvangsmoment had ertoe kunnen leiden dat de nalatigheid van de Staat – die ook na zeer geruime tijd kan blijken, naar aanleiding van nieuwe rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU – geheel zonder gevolgen blijft (afgezien van een eventuele door de Europese Commissie te entameren inbreukprocedure op grond van art. 258 VWEU Pro). Dat is niet aanvaardbaar.
Haarlemmerolieen de wetsgeschiedenis van art. 3:313 BW Pro is gedaan, mij niet kan overtuigen. Beide betreffen inbreuken op een verplichting om niet te doen, terwijl in deze zaak de veronderstelling is dat de notaris is tekortgeschoten in de nakoming van een verplichting om te doen.
Haarlemmeroliemerk ik nog een aanwijzing vóór de beslissing van het hof op. Het arrest
Haarlemmerolienoemt de rechtsvordering tot vergoeding van schade en die tot nakoming (verbod) in één adem, als aan hetzelfde verjaringsregime onderworpen. Ik realiseer me dat dit naar oud recht vanzelfsprekender was dan naar huidig recht, omdat de wet destijds maar zeer beperkt afzonderlijke bepalingen voor verschillende typen rechtsvorderingen kende. [25] Ook naar huidig recht is er echter veel voor te zeggen dat met betrekking tot hetzelfde feitencomplex niet het ene type rechtsvordering veel langer kan worden ingesteld dan het andere. De argumenten die voor de verjaring van de ene rechtsvordering gelden (verlies van bewijsmateriaal en inbreuk op de individuele rechtszekerheid, vergelijk 3.14), gelden immers ook voor die van de andere. Wie de regeling van de verjaring van art. 3:306 e.v. BW artikel voor artikel doorneemt, bemerkt dat dit inderdaad voor de wetgever een belangrijke overweging is geweest en dat er een duidelijke samenhang bestaat in de lengte van de diverse verjaringstermijnen. Zo bevat de regeling van art. 3:311 BW Pro omtrent de rechtsvordering tot ontbinding, of tot herstel van een tekortkoming, met art. 3:310 lid 1 BW Pro vergelijkbare verjaringstermijnen respectievelijk van vijf en van twintig jaar. Beginpunt van de twintigjarige termijn is het moment dat de tekortkoming is ontstaan. Het beoogde resultaat is klaarblijkelijk dat als een vordering tot schadevergoeding op verjaring afstuit, dit ook voor een vordering tot ontbinding of tot herstel van een tekortkoming zal gelden en andersom. Er zijn intussen nog veel meer bepalingen uit de regeling van de verjaring die klaarblijkelijk erop berusten dat de wetgever de diverse verjaringstermijnen op elkaar heeft afgestemd.
onder Iaheeft het hof miskend dat er geen rechtsregel is die met zich brengt dat van de notaris na deze periode van zes weken niet meer zou kunnen worden gevergd om voor inschrijving zorg te dragen of te controleren of de akte van huwelijkse voorwaarden daadwerkelijk is ingeschreven, althans brengt geen rechtsregel met zich dat de notaris na afloop van die periode van die verplichting is ontheven. Op zichzelf is waar dat de tekortkoming van de notaris zich voor herstel leende, maar dit is geen grond om die tekortkoming op te vatten als een voortdurende gebeurtenis. Dit daargelaten of juist is dat voor
allevoortdurende schadeveroorzakende gebeurtenissen geldt dat de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan.
onder Ibvertrekt vanuit dezelfde onjuiste rechtsopvatting als de rechtsklacht. Het hof heeft niet aangenomen dat de notaris na zes weken niet langer tot herstel van zijn nalatigheid verplicht was. Het hof heeft slechts aangenomen dat de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, moet worden gesteld op zes weken na het passeren van de akte van huwelijkse voorwaarden, zijnde het moment waarop de notaris uiterlijk voor inschrijving diende zorg te dragen. De termijn van zes weken berust er kennelijk op dat het hof rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de notaris bij controle zou zijn gebleken dat een eerdere poging tot inschrijving was mislukt en dat daarom een nieuwe poging nodig was.
nietheeft plaatsgevonden, impliceert dit dat het hof ervan is uitgegaan dat aan de zijde van de notaris in ieder geval enigerlei fout is gemaakt. Wat het hof met de formulering ‘een mogelijke fout’ klaarblijkelijk bedoelt, is slechts dat niet vaststaat wat er is misgegaan. Het hof heeft in de beoordeling van het beroep van de vrouw op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid wel degelijk betrokken dat aan de zijde van de notaris enigerlei fout moet zijn gemaakt.
onderdeel IV, dat eveneens tegen rechtsoverweging 10 van het arrest opkomt met deels aan onderdeel III verwante klachten, bestaat geen belang meer.