Uitspraak
H. Swante
Zijpetegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Alkmaar van 17 Februari 1955, betreffende den aan hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1951;
Hoge Raad
Belanghebbende werd over 1951 aangeslagen in de inkomstenbelasting op een inkomen van f. 25.862,-. Hij oefende een veehouderijbedrijf uit op 54 hectare land met een aanzienlijke veestapel. Tijdens het jaar droeg hij ongeveer de helft van zijn bedrijf over aan zijn zoon, waaronder pacht en vee, waarbij hij een winst van f. 9.900,- behaalde.
De Inspecteur belastte deze winst niet volgens het bijzondere tarief van artikel 48 van Pro het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, omdat hij meende dat de overdracht niet uitging boven de normale jaarlijkse omzet en het overgedragen deel geen zelfstandigheid bezat. De Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep van belanghebbende.
De Hoge Raad oordeelt dat de Raad van Beroep een te enge uitleg gaf aan artikel 20, lid 1, van het Besluit. Overdracht van een gedeelte van een bedrijf moet ook worden aangenomen wanneer het overgedragen deel naar zijn aard een zelfstandig bedrijf kan vormen, wat hier het geval is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek, met name naar de subsidiaire stelling van de Inspecteur over het aandeel van voorraden in de winst.
De zaak wordt verwezen naar de Raad van Beroep voor verdere behandeling en beslissing in volledige vergadering, met inachtneming van het arrest.
Uitkomst: Het arrest van de Raad van Beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek en beslissing.