Uitspraak
[X] N.V. gevestigd te
[Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen aldaar van 1 October 1956 betreffende den haar opgelegden aanslag in de vennootschapsbelasting over het boekjaar 1952/1953;
Hoge Raad
Belanghebbende, een naamloze vennootschap met volledig geplaatst en volgestort kapitaal, ontving van haar moedermaatschappij een bedrag op een geblokkeerde rekening ter financiering van een pensioenregeling. De Inspecteur rekende dit bedrag tot de winst van het boekjaar 1952/1953.
Belanghebbende betwistte dit, stellende dat het ging om een kapitaalstorting en niet om een belastbare winst, en dat eventuele baten in het jaar van levering van de machines belast hadden moeten worden. De Raad van Beroep bevestigde echter dat geen sprake was van een kapitaalstorting volgens het burgerlijk recht, omdat het kapitaal reeds was volgestort, en dat het voordeel als winst moest worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde dat een moedermaatschappij die een dochtermaatschappij bevoordeelt zonder dat sprake is van een storting op aandelen, toch een fiscale kapitaalinbreng kan verrichten indien het voordeel alleen voortvloeit uit de moeder-dochterverhouding. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor nader onderzoek naar de informele kapitaalinbreng.
Deze uitspraak verduidelijkt de fiscale behandeling van voordelen tussen moeder- en dochtermaatschappijen en benadrukt dat dergelijke voordelen als winst kunnen worden belast, ook zonder formele aandelenstorting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor nader onderzoek naar de fiscale kwalificatie van de kapitaalinbreng.