Uitspraak
primairvernietiging van een in Februari 1950 tussen partijen tot stand gekomen koopovereenkomst betreffende een zilveren beker met teruggave van den beker of de waarde daarvan op grond van bedrog, hierin bestaande dat door of vanwege den koper, die vóór het sluiten van den koop reeds op de hoogte was van de uitzonderlijk hoge artistieke en historische waarde van den beker, aan den gemachtigde der verkopers is medegedeeld, dat de beker geen artistieke of historische waarde bezat en niet meer waard was dan het gewicht van den beker in zilver, door welke onjuiste van een deskundige afkomstige inlichting verkopers middels hun gemachtigde bewogen zijn den koop te sluiten, hetgeen niet zou zijn geschied, indien de werkelijke waarde van den beker niet voor hen verborgen was geweest,
subsidiairvernietiging van dezelfde koopovereenkomst met teruggave als vermeld op grond van dwaling omtrent de zelfstandigheid der verkochte zaak aan de zijde van de verkopers en hun gemachtigde, daar zij door de houding en de mededelingen van de zijde van den koper in den waan zijn gebracht, dat de beker hoegenaamd geen artistieke of historische waarde had, terwijl de koop niet gesloten zou zijn, als de werkelijke waarde van den beker hun niet verborgen ware geweest,
meer subsidiairschadevergoeding uit blijkens de omstandigheden, waaronder de koop is tot stand gekomen, door den koper jegens de verkopers begane onrechtmatige daad;