Uitspraak
[X] N.V., gevestigd te
[Z], tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
’s-Hertogenboschvan 4 November 1959 betreffende den haar opgelegden aanslag tot navordering van vennootschapsbelasting voor het jaar 1955;
“dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op het bedrag, dat volgens artikel 6,2e en 3e lid, van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 (hierna af te korten: Besluit Vennootschapsbelasting) juncto artikel 8a van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (hierna af te korten: Besluit Inkomstenbelasting) ten laste van de winst over de jaren 1954 en 1955 mag worden gebracht, waarbij in aanmerking dient te worden genomen, dat het boekjaar 1954 met een verlies is afgesloten, welk verlies met de winst over 1955 dient te worden verrekend;
6.382,77
dat het Hof met inachtneming van het bovenstaande het belastbare bedrag voor 1955 op de volgende wijze vaststelt:
. 385.122,56
. 30.555,93
. 385.122,56
. 662.151,22
Overwegende dat het Hof dienvolgens den navorderingsaanslag heeft verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van f. 662.150,--;
Overwegende dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld, dat belanghebbende om veiligheidsredenen en op grond van voorwaarden, gesteld door haar grootsten afnemer, het Ministerie van Oorlog, op haar terrein van 40 h.a. niet één fabrieksgebouw doch enkele tientallen fabrieksgebouwtjes deed stichten, in elk waarvan één machine staat opgesteld, en deze gebouwtjes met de daarbij behorende opslagplaatsen voor springstof en afgewerkte producten nagenoeg alle tot dakhoogte zijn omgeven door niet gefundeerde aarden wallen;