Conclusie
1.Overzicht
BNB1993/281, over diezelfde term in art. 42a Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) (huurwaardeforfait). Beide feitenrechters hebben op die basis geoordeeld dat de litigieuze onroerende bedrijfsobjecten ‘aanhorigheden’ zijn en samen met de gebouwen moeten worden gewaardeerd en afgeschreven tot bodemwaarde.
BNB1993/281 heeft gebruikt, al ging dat arrest over woningen. De wetgever wilde volgens hem met ‘aanhorigheden’ in art. 3.30a Wet IB 2001 aansluiten bij die term in andere bepalingen in de Wet IB 2001, waaronder de eigenwoningregeling, en bij de rechtspraak daarover. De rechtspraak over de WIR acht hij alleen nog van belang voor de vraag wat tot een ‘gebouw’ behoort. Hij ziet geen steun in de wetgeschiedenis voor het standpunt dat ‘aanhorigheden’ alleen zaken zouden zijn die een bedrijfsgebouw beter als bedrijfsgebouw laten functioneren.
hedge accounting: aanhorigheden, ondergrond en (de onderdelen van) een gebouw worden samenhangend gewaardeerd en afgeschreven. Het is uiteraard een verre van
perfect hedge, want de achtergrond van art. 3.30a(2) Wet IB 2001 is niet dat de waarden van gebouw(onderdelen), ondergrond en aanhorigheden steeds tegengesteld in waarde correleren, maar een budgettaire: de wetgever wilde geen ‘componenten-benadering’, maar ongerealiseerde waardedaling van ‘aanhorigheden’ kunnen wegstrepen tegen ongerealiseerde waardestijging van gebouwen of ondergrond.
‘gebouw’: de MvT verwijst naar de WIR-rechtspraak over investeringen in ‘gebouwen’, noemt als kenmerken ‘duurzaam verbonden met de grond; duurzame constructie; niet eenvoudig verplaatsbaar/demonteerbaar; wanden en dak; bescherming tegen wind en neerslag’, en geeft als voorbeelden ‘een kantoor, winkel, fabriek, woning, kas, stal’;
‘onderdelen van een gebouw’zijn onroerende objecten die ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’ zijn aan een gebouw en die het gebouw - door technisch-functionele samenhang - beter laten functioneren. De wetgever noemt als voorbeelden ‘groenvoorziening, erfverharding, bestrating, terreinverlichting, parkeerterrein’, mits ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’ aan het gebouw;
‘bouwwerk’: de MvT vermeldt dat deze term ruimer is dan de term ‘gebouw’ voor de toepassing van de WIR;
‘gebouwd eigendom’is kennelijk een aanduiding voor een bouwwerk dat geen ‘gebouw’ is. De term is vooral relevant voor de werktuigenvrijstelling omdat werktuigen die zelf ‘gebouwde eigendommen’ zijn, niet zijn vrijgesteld: de medewetgever noemt als voorbeelden van ‘gebouwd eigendom’: ‘opslagtanks, hoogspanningsmasten, windmolens. Bij deze voorbeelden is echter geen sprake van een gebouw’.
‘aanhorigheden’: de NnavV noemt als kenmerken dat zij ‘bij het gebouw behoren’ en ‘daaraan dienstbaar’ zijn, dat ‘fysieke verbondenheid niet noodzakelijk is’ en vermeldt dat de term ook voorkomt in de artt. 3.16, 3.93 en 3.111 Wet IB 2001 en art. 10(5) Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). De MvT bij art. 42a Wet IB 1964 noemt als voorbeelden ‘tuin, garage, e.d.’;
‘werktuigen’: onroerende objecten die zonder schade en met behoud van hun eigen waarde verwijderd kunnen worden uit/van een gebouw en die niet op zichzelf een ‘gebouwd eigendom’ zijn;
‘bedrijfsmiddel’: art. 3.30a(1) Wet IB 2001 beperkt verwarrenderwijs de afschrijving op een
gebouw(tot de bodemwaarde
van dat gebouw), terwijl lid 2 de
onderdelen van een gebouw, de
ondergronden
aanhorighedenaanmerkt als één
bedrijfsmiddel. Lid 1 gaat dus over afschrijving op een ‘gebouw’; lid 2 over afschrijving op een ‘bedrijfsmiddel’. De gebruikte terminologie impliceert overigens dat ‘onderdelen’ van een ‘gebouw’ onder de term ‘gebouw’ vallen (dus civielrechtelijk wellicht doelt op bestanddelen) en dat ‘ondergrond’ en ‘aanhorigheden’ géén onderdelen van het ‘gebouw’ zijn.
BNB1993/281 voor art. 42a Wet IB 1964 (huurwaardeforfait), herhaald in HR
V-N2014/26.5 voor diens opvolger art. 3.111 Wet IB 2001 (eigenwoningforfait): ‘behorende bij, in gebruik bij en dienstbaar aan een woning’. Hij strookt ook met de rechtshistorie, want die omschrijving komt uit eerdere vaste rechtspraak en uiteindelijk uit wetteksten en -geschiedenis uit de eervorige eeuw. Hij strookt ook met de term ‘aanhorigheden’ in het Besluit onroerend-goedbelasting (Besluit OGB). Die uitleg strookt ten slotte ook met de samenstelbepaling in art. 16(d) van de huidige Wet Waardering onroerende zaken (WOZ), bij de waardering en objectafbakening waarvan art. 3.30a Wet IB 2001 aansluiting zoekt.
2.Feiten, geschil en geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
BNB1993/281 (zie 5.15 hieronder; gewezen voor het huurwaardeforfait ex art. 42a Wet IB 1964). Op die basis heeft zij alle litigieuze bouwwerken als aanhorigheden aangemerkt:
BNB1993/281 (ik citeer uit de hofuitspraak nr. 18/00190):
Fiscaal up to Date(
FutD2019-1272) vroeg zich af of aldus wel voldoende is gelet op verschillen tussen (gebruik van) een woning en (gebruik van) een bedrijfsgebouw:
3.Het geding in cassatie
BNB1989/146 (zie 5.8 hieronder), aldus de belanghebbenden.
verweermeent de Staatssecretaris dat het Hof terecht de maatstaf van HR
BNB1993/281 heeft gebruikt voor de vraag of de bouwwerken een aanhorigheid ex art. 3.30a Wet IB 2001 vormen. De wetgever wilde volgens hem met die term aansluiten bij dezelfde term in andere bepalingen in de Wet IB 2001, waaronder de eigenwoningregeling, en bij de jurisprudentie daarover. De rechtspraak over de WIR, waarop de belanghebbenden zich baseren, is nog slechts van betekenis voor de vraag wat tot een ‘gebouw’ behoort. Voor de opvatting dat onder aanhorigheden alleen zaken vallen die het bedrijfsgebouw beter laten functioneren als bedrijfsgebouw ziet de Staatssecretaris geen steun in de wetgeschiedenis.
4.Wetgeving en wetsgeschiedenis
Historie
gebouwde en ongebouwde eigendommen of gedeelten van zodanige eigendommen behorende bij en in gebruik zijnde met een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een gedeelte van een zodanig eigendom, voor zover die eerstbedoelde eigendommen, naar de omstandigheden beoordeeld, dienstbaar zijn aan dat gebouwde eigendom, dat ongebouwde eigendom of dat gedeelte.”
BNB1993/281 (zie 5.15 hieronder), gaat over het huurdewaardeforfait in art. 42a Wet IB 1964. Die bepaling luidde, voor zover hier relevant (tekst 1998):
op zichzelfbeschouwd wel ‘onroerend bedrijfsmiddel’ zijn maar geen ‘gebouw’ (nl. ‘aanhorigheden’), hun zelfstandige bedrijfsmiddelschap wordt ontnomen door samentelling met het gebouw waaraan zij horig zijn.
NJ 1993/316,
Depex/Van Ratingenen HR
NJ 1993/317,
Ontvanger/Rabo) of incompleet is. Of dat het geval is, hangt af van de feiten en omstandigheden. Apparatuur kan bestanddeel van een gebouw zijn als het gebouw en de apparatuur in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd. Incompleetheid zou zich bijvoorbeeld voordoen bij ontbreken van een verwarmingsinstallatie in een gebouw (HR
NJ1954/115, Stafmateriaal).
5.Rechtspraak
Over ‘onderdelen’ van ‘gebouwen’ voor de investeringsaftrek en de WIR
BNB1960/169 [29] gaf voor de investeringsaftrek criteria voor ‘onderdelen van een gebouw’ buiten dat gebouw. Uitgaven voor een aarden wal werden aangemerkt als uitgaven voor fabrieksgebouwen en niet als uitgaven voor een terrein, omdat de aarden wal ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’ was aan de fabrieksgebouwen.
BNB1978/203 [30] ging over de investeringsaftrek en de criteria voor ‘onderdelen van een gebouw’ buiten dat gebouw. U bevestigde ‘s Hofs oordeel dat erfverharding geen investering in een gebouw was omdat zij niet onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar was aan de aangelegen bedrijfsgebouwen:
BNB1984/267 [31] ging over investeringen in onder meer een silo en een kelder bij een stal. De belanghebbende stelde dat de stal zonder die investeringen niet gebruikt kon worden. Zij zouden daarom voor de toepassing van de WIR als uitbreiding van de stal moeten worden beschouwd. De kelder kon volgens de feitenrechter als uitbreiding van een bestaand gebouw worden gezien, maar de silo niet. Over (’s Hofs oordeel over) de silo overwoog u:
BNB1985/332 [32] betrof investeringen rondom stallen. U zag geen investeringen in gebouwen omdat zij niet onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar waren aan de stallen:
BNB1987/31 [33] betrof de aanschaf van een silo die evenmin een investering in een nieuw gebouw was omdat hij niet onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar was aan de bedrijfshal:
BNB1987/249 [34] ging over terreinverharding. U bevestigde het oordeel van Hof ‘s Hertogenbosch dat de verharding onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar was aan een gebouw omdat het gebouw zonder die verharding niet bruikbaar was:
BNB1989/146 [35] beantwoordde de vraag of tennisbanen voor de toepassing van de WIR al dan niet een zelfstandig bedrijfsmiddel waren ten opzichte van een nabijgelegen sporthal, of daarmee één geheel vormden:
BNB1965/292 [36] voor de investeringsaftrek (vóór de WIR), over de criteria voor ‘onderdelen van een gebouw’ buiten het gebouw dat de bestrating van grond die toegang opleverde tot een garage en een opslaghal, onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar was aan die gebouwen en daarom geen zelfstandige ‘ongebouwde eigendom’ was. Het Hof Leeuwarden [37] oordeelde in 1981 voor de WIR dat sleufsilo’s zonder dak of overkapping voor de opslag van voederproducten geen ‘gebouw’ zijn. Het Hof Den Boschbeschouwde in
BNB1984/23 [38] een sleufsilo niet als gebouw maar als overig bedrijfsmiddel omdat hij niet onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar was aan een stal, overwegende dat de silo naar verkeersopvatting geen onzelfstandig onderdeel van de stal was. Het Hof Arnhem oordeelde in
BNB1986/195 [39] dat een mengmestkelder in het open veld niet onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar was aan een ligboxenstal en een biogaspot (silo om mest tot biogas om te vormen). De kelder was daarom geen ‘gebouw’ maar een ‘overig bedrijfsmiddel’.
BNB1980/90 [40] (tuin en bos bij een huis), HR
BNB1980/184 [41] (fabriekscomplex) en HR
BNB1981/100 [42] (varkenshouderij). Er werden dan immers meer aanslagen ter zake van één onroerend goed opgelegd. Voor de vraag of het om slechts een aanhorigheid ging, verwees u naar de gemeentelijke Verordeningen OGB. De Verordeningen in de twee laatstgenoemde zaken bevatten een definitie van ‘aanhorigheden’ van de strekking ‘behoort bij, daarbij in gebruik, daaraan dienstbaar’. ‘Aanhorigheden’ komen in de Wet WOZ niet meer voor sinds de introductie van de samenstelbepaling van art. 16(d) Wet WOZ [43] (zie 4.20 hierboven).
BNB1981/176, [44] gewezen voor de OGB van de gemeente Kantens, betrof de vraag of cultuurgronden als aanhorigheden moesten worden aangemerkt. De lokale Verordening OGB gaf de volgende definitie van aanhorigheden:
BNB1981/57, [45] eveneens betreffende een gemeentelijke OGB, bevestigde u het oordeel van Hof Leeuwarden dat een moestuin op 75 meter afstand van een woning te ver is om een aanhorigheid te zijn, nu niet kan worden gezegd dat die tuin ‘behoort bij’ de woning.
BNB1987/218, [46] opnieuw over een gemeentelijke OGB, betrof het ‘dienstbaar aan’-criterium in verband met de vraag of een pastorie horig is aan een kerkgebouw:
BNB1980/239 [47] betrof de vraag of voor de toepassing van het huurwaardeforfait in art. 42a Wet IB 1964 een garage een aanhorigheid van een woning is. U gaf volgende toelichting op het criterium ‘behoort bij’:
BNB1993/281, [48] eveneens gewezen voor de toepassing van het huurwaardeforfait in art. 42a Wet IB 1964, gaf u de volgende, door beide feitenrechters geciteerde criteria voor de beoordeling of een stal een aanhorigheid is bij een woning:
BNB1993/281 nog steeds geldend recht is voor de term ‘aanhorigheid’ in de eigenwoningregeling.
BNB1993/281 (zie 5.15) bevestigend beantwoord (zij het dat de waterbroninstallatie een vrijgesteld ‘werktuig’ was). Het Hof Arnhem-Leeuwarden [53] heeft het hogere beroep tegen de uitspraak van 10 juli 2018 (geval 1) ongegrond verklaard, overwegende dat uit de wettekst en -geschiedenis volgt dat, nu voor de toepassing van art. 3.30a aanhorigheden samen met een gebouw als één bedrijfsmiddel worden aangemerkt, het niet van belang is of de aanhorigheid al dan niet een zelfstandig bedrijfsmiddel is. Ook dit Hof gebruikte de criteria van HR
BNB1993/281 en zag geen reden om ‘aanhorigheid’ in art. 3.30a Wet IB 2001 anders uit te leggen dan diezelfde term in art. 3.111 Wet IB 2001.
BNB1994/113 [54] oordeelde u voor de gemeentelijke OZB dat in een gebouw aanwezige roltrappen en liften in hoofdzaak dienstbaar waren aan het gebouw zelf en niet aan enig productieproces en daarom geen vrijgestelde werktuigen waren.
BNB2015/113, [55] gewezen voor de Wet WOZ, betrof de vraag of een vrijgesteld ‘werktuig’ dienstbaar moet zijn aan een
industrieelproductieproces. U meende van niet. U achtte het oordeel van het Hof Den Haag [56] juist, dat onder meer had overwogen:
BNB2015/113:
6.Literatuur
a. de eigendom moet behoren bij een gebouwd eigendom/ongebouwd eigendom of een gedeelte daarvan;
b. de eigendom moet in gebruik zijn met dat gebouwde eigendom/ongebouwde eigendom of dat gedeelte;
c. de eigendom moet dienstbaar zijn aan het gebouwde eigendom/ongebouwde eigendom of gedeelte.”
met’het hoofdgebouw vervangen is door de eis dat alle zaken gebruikt worden door dezelfde belastingplichtige, zodat niet meer ter zake doet of de activiteiten die ermee worden verricht al dan niet los van elkaar staan. [61]
inhet gebouw en aanhorigheden (zaken buiten het gebouw). Hij concludeert op basis van uw rechtspraak dat voor de vraag of een zaak onderdeel is van een gebouw beslissend is het criterium ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’. Voor de beoordeling of een zaak als aanhorigheid beschouwd kan worden, wordt volgens hem in recente rechtspraak ook aansluiting gezocht bij het ruimere criterium ‘behoort bij, daarbij in gebruik, daaraan dienstbaar’ uit HR
BNB1993/281. Op de vraag of voor ‘aanhorigheid’ moet worden uitgegaan van het ruime of het enge criterium vindt men volgens hem in de parlementaire geschiedenis tegenstrijdige antwoorden: er wordt gerefereerd aan zowel ‘bij een gebouw behoren en daaraan dienstbaar zijn’, hetgeen zijns inziens duidt op het ruime criterium (zie het tweede deel van het citaat in 4.15 hierboven) als aan het enge criterium (zie 4.9 en het eerste citaatdeel in 4.15 hierboven). Met name vermeldt de MvT (zie 4.9) dat groenvoorziening, erfverharding, bestrating, terreinverlichting en een parkeerterrein onderdelen van een ‘gebouw’ kunnen zijn als zij ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar zijn’ aan dat gebouw. Denissen merkt op dat deze objecten zich buiten het gebouw bevinden en baseert daarop dat zij pas ‘aanhorigheden’ bij het gebouw zijn als ze er onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar aan zijn. Ook de verwijzing in de MvT (zie 4.9) naar de arresten HR
BNB1960/169 (zie 5.1), Hof Den Haag
BNB1965/292 (zie 5.9) en HR
BNB1978/203 (zie 5.2) wijst er volgens Denissen op dat voor aanhorigheden het enge criterium ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’ geldt. Hij meent daarom dat dat enge criterium een nadere invulling voor afschrijvingsbeperkingsdoeleinden is van het ruimere criterium ‘behoort bij, daarbij in gebruik, daaraan dienstbaar’ voor eigenwoningforfaitdoeleinden:
gebouwen’gaat; niet als het over ‘aanhorigheden’ gaat. Als een object al ‘onderdeel’ van het gebouw is, bestaat geen behoefte aan een concept als ‘aanhorigheden’ om het bij het gebouw te trekken, want het is al deel van het gebouw. Toegegeven moet wel worden dat het misschien niet helemaal consistent is dat onroerende objecten die het productieproces dienen, fiscaal verschillend behandeld worden afhankelijk van de vraag of zij zich
in(werktuigen) of
buitenhet gebouw (aanhorigheden) bevinden.
daaromgeen ‘aanhorigheid’ van een gebouw in de zin van art. 3.30a Wet IB 2001:
BNB1984/23 (zie 5.9 hierboven) merkt hij op dat bepaalde silo’s voor de WIR niet als onderdeel van een gebouw werden aangemerkt omdat ze niet onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar waren aan een gebouw. De fiscus merkt zulke silo’s nu echter wel als aanhorigheid aan, waardoor ze door de afschrijvingsbeperking worden getroffen. De functie van de silo is door de jaren heen echter niet gewijzigd, maar het standpunt van de inspecteur wel, aldus [A] .
WFR2014/1536 ‘Wat is een gebouw in de zin van art. 3.30a Wet IB 2001?’ Het gaat er bij deze beoordeling dan om of deze aanhorigheden het gebouw als zodanig laten functioneren. Voor een mestsilo, kuilvoeropslag, mestplaat kan dan naar mijn mening worden beslist dat ze geen functie voor de stal (als gebouw) hebben en daarom niet tot het gebouw moeten worden gerekend. De desbetreffende activa zijn dan zelfstandige bedrijfsmiddelen die afzonderlijk kunnen worden afgeschreven. Het laatste woord hierover is aan de Hoge Raad.”
V-N2014/27.35) de vraag van een lezer of een mestsilo willekeurig kan worden afgeschreven hoewel ‘gebouwen’ zijn uitgezonderd van willekeurige afschrijving. De vraag is dus of “gebouw” in de uitsluitingsbepaling (art. 13(2) Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001) hetzelfde is als “gebouw” in de artt. 3.30 en 3.30a Wet IB 2001. De redactie wijst erop dat ‘gebouw’ een civielrechtelijk begrip is (art. 3:3 BW Pro) en dat de civielrechtelijke inhoud van die term ook in het belastingrecht geldt. De redactie vat de lezersvraag, die over ‘aanhorigheden’ gaat, als volgt op: “maakt een mestsilo, al dan niet volgens de verkeersopvatting, onderdeel uit van het gebouw? In termen van art. 3:4, lid 1, BW: is de mestsilo een bestanddeel van het gebouw?” Volgens de redactie is de vraag naar de eventuele aanhorigheid van de mestsilo dan of die silo, al dan niet volgens verkeersopvatting, onderdeel uitmaakt van het gebouw en daarmee een bestanddeel is van het gebouw in de zin van art. 3:4(1) BW. De redactie verwijst naar oudere fiscale jurisprudentie waaruit haars inziens geen eenduidig beeld oprijst: die jurisprudentie gebruikt zowel het ruime criterium ‘behoort bij, daarbij in gebruik, daaraan dienstbaar’ als het enge criterium ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’.
bestanddelente hebben, gaat de redactie mijns inziens dus niet in op de gestelde vraag, naar de mogelijke
aanhorigheidvan de silo. Overigens valt de silo in beide gevallen onder de afschrijvingsbeperking. De belangrijkste vraag was dus of de samentelregel van art. 3.30a(2)(1e volzin) Wet IB 2001 óók geldt voor de uitsluiting van ‘gebouwen’ van willekeurige afschrijving. Grammaticale uitleg zou mijns inziens de vragensteller steunen, nu de 1e volzin van art. 3.30a(2) Wet IB 2001 immers niet het begrip ‘gebouw’ uit lid 1 uitbreidt met aanhorigheden, maar een
‘bedrijfsmiddel’omschrijft dat (alle onderdelen van) een gebouw én diens ‘aanhorigheden’ omvat. Art. 13(2) Uitv. Reg. willekeurige afschrijving sluit alleen ‘gebouwen’ uit; niet het ruimere ‘bedrijfsmiddel’ omschreven in art. 3.30a(2)(1e volzin) Wet IB 2001. Teleologisch volgt mijns inziens echter uit de samenhang met lid 1 - dat de afschrijving op een ‘gebouw’ beperkt - dat in art. 13(2) Uitv. Reg. willekeurige afschrijving met ‘gebouw’ bedoeld zal zijn het ‘bedrijfsmiddel’ van art. 3.30a(2)(1e volzin) Wet IB 2001.
7.Analyse
BNB2015/113 (zie 5.19 hierboven) volgt dat het bij ‘werktuigen’ gaat om onroerende apparaten gebruikt om krachten te overwinnen met behulp van andere krachten of als middel bij het bewerken, vervaardigen of verplaatsen van objecten. Zou de wetgever alleen quasi-eeuwig voortschuivende stille reserves in gebouwen en ondergrond hebben willen beperken, dan zou het niet vreemd zijn geweest om ook slijtende, niet autonoom in waarde stijgende onroerende bedrijfsobjecten zoals silo’s en strooiselhokken uit te sluiten van de afschrijvingsbeperking, net als ‘werktuigen’. Daarvoor bieden echter wettekst noch parlementaire behandeling noch rechtspraak enige steun. Uit de tekst van art. 3.30a(2) Wet IB 2001 volgt immers al (i) dat werktuigen zonder beschadiging van betekenis van een gebouw moeten kunnen worden afgescheiden, hetgeen impliceert dat zij zich
in,
aanof
opdat gebouw bevinden, anders dan silo’s, strooiselhokken en erfverhardingen, die zich daarbuiten bevinden, en (ii) dat zij niet op zichzelf gebouwde eigendommen mogen zijn, hetgeen silo’s en strooiselhokken wél zijn. Uitgaande van de wens quasi-eeuwig voortschuivende stille reserves in gebouwen en ondergrond te beperken is echter niet duidelijk waarom de ene soort slijtende onroerende bedrijfsmiddelen (aanhorigheden; buiten het gebouw) in afschrijving wordt beperkt en de andere soort slijtende onroerende bedrijfsmiddelen niet (bepaalde onroerende werktuigen in, aan of op het gebouw). Nu zouden zeker niet alle ‘aanhorigheden’, als zij inpandig zouden zijn, ook (vrijgestelde) ‘werktuigen’ zijn, en zijn ook niet
alleinpandige werktuigen vrijgesteld, maar onverklaard blijft waarom niet ook uitgezonderd zijn aanhorigheden die, waren zij inpandig, wél vrijgestelde ‘werktuigen’ zouden zijn. De achtergrond daarvan is denkelijk uitvoerbaarheid én de verklaarde wens om aan te sluiten bij de werktuigenvrijstelling in de Wet WOZ (zie 4.12 en 4.13 hierboven), wier objectafbakening en waardering immers leidend zijn bij de toepassing van de afschrijvingsbeperking tot bodemwaarde.
hedge accounting: aanhorigheden, ondergrond en (alle) onderdelen van een gebouw worden als één bedrijfsmiddel beschouwd, dus samenhangend gewaardeerd en afgeschreven tot één bodemwaarde. Het is uiteraard geen
perfect hedge(verre daarvan), en met risicobeheersing heeft het weinig te maken. De achtergrond van de door art. 3.30a(2) Wet IB 2001 geëiste samenhangende waardering van (onderdelen van) een gebouw, diens ondergrond en aanhorigheden is niet een intrinsiek tegengestelde waardecorrelatie en dus niet een systematische, maar een meer opportunistisch-budgettaire: de wetgever wilde geen ‘componentenbenadering’ omdat hij (ook) ongerealiseerde waardedaling van aanhorigheden wilde kunnen wegstrepen tegen ongerealiseerde waardestijging van gebouwen en ondergrond.
‘gebouw’: de MvT bij ‘Werken aan winst’ (zie 4.8) verwijst voor die term naar uw WIR-rechtspraak over investeringen in ‘gebouwen’. Dat doet ook de Staatssecretaris in diens cassatieberoepschrift. De MvT noemt als kenmerken: ‘duurzaam verbonden met de grond; duurzame constructie; niet eenvoudig verplaatsbaar/demonteerbaar; wanden en dak; bescherming tegen wind en neerslag’ en geeft als voorbeelden ‘een kantoor, winkel, fabriek, woning, kas, stal’;
‘onderdelen van een gebouw’: volgens de MvT (zie 4.9) en de NnavV (zie het eerste deel van het citaat in 4.15) bij de wet Werken aan winst gaat het om onroerende objecten die ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’ zijn aan een gebouw en die het gebouw - door technisch-functionele samenhang - beter laten functioneren. De MvT noemt als voorbeelden onder meer ‘groenvoorziening, erfverharding, bestrating, terreinverlichting, parkeerterrein’, mits ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’ aan het gebouw. De omschrijving suggereert dat het civielrechtelijk om ‘bestanddelen’ van een onroerende zaak zou gaan, maar ik betwijfel of al deze voorzieningen naar verkeersopvatting (zie art. 3:4 BW Pro) steeds onderdeel van het gebouw zijn, ook al zijn zij onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar aan het gebouw;
‘bouwwerk’: de MvT bij de wet Werken aan winst (zie 4.8) vermeldt dat deze term ruimer is dan de term ‘gebouw’ was voor de toepassing van de WIR;
‘gebouwd eigendom’: deze vooral voor de werktuigenvrijstelling relevante term wordt door de Minister in een Kamerbrief in het kader van de wet Werken aan winst (zie 4.14) als volgt omschreven: ‘bij voorbeeld opslagtanks, hoogspanningsmasten, windmolens. Bij deze voorbeelden is echter geen sprake van een gebouw’.
‘aanhorigheden’: de NnavV bij de wet Werken aan winst (zie het tweede deel van het citaat in 4.15) vermeldt dat kenmerken van ‘aanhorigheden’ zijn dat zij ‘bij het gebouw behoren’ en ‘daaraan dienstbaar’ zijn, dat ‘fysieke verbondenheid niet noodzakelijk is’ en dat de term ook voorkomt in de artt. 3.16, 3.93 en 3.111 Wet IB 2001 en art. 10(5) Wet Vpb, zonder nochtans met zoveel woorden te zeggen dat het om dezelfde betekenis gaat als in één van (of al) deze bepalingen. De verwijzing naar die andere bepalingen suggereert wel dat de wetgever van één fiscaal begrip ‘aanhorigheden’ uitgaat. Daarop wijst ook de historie van en de rechtspraak over die term (zie 7.11 hieronder). De MvT bij de voorganger van art. 3:111 Wet Pro IB 2001 noemde als voorbeelden ‘tuin, garage, e.d.’ (zie 4.5 hierboven). U heeft het criterium ‘dienstbaar’ omschreven (zie 5.11) als: de gebruiksmogelijkheden van het gebouw vergrotend, althans verbeterend;
‘werktuig’: uit de citaten in 4.11 t/m 4.14 hierboven volgt dat het bij die term gaat om onroerende objecten die zonder schade en met behoud van hun eigen waarde verwijderd kunnen worden uit/van een gebouw, die niet op zichzelf al gebouwde eigendommen zijn (zoals opslagtanks dat wél zijn) en die niet het gebouw dienen of beter geschikt maken als gebouw, maar die dienstbaar zijn aan het productieproces in het gebouw (het gebouw is dus dienstbaar aan (het werk van) de werktuigen in plaats van andersom);
‘bedrijfsmiddel’: art. 3.30a(1) Wet IB 2001 zegt verwarrenderwijs dat de afschrijving op een
gebouwwordt beperkt, terwijl lid 2 het
bedrijfsmiddelwaarop afgeschreven wordt, omschrijft als ‘de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden’. Het gebouw zelf ontbreekt merkwaardigerwijs in deze omschrijving van het af te schrijven bedrijfsmiddel, die wij dus maar met verstand aldus moeten lezen dat met ‘de onderdelen van een gebouw’
alleonderdelen daarvan bedoeld zijn, dus het hele gebouw. Ik maak uit deze terminologie op dat de wetgever ervan uitging dat ‘onderdelen’ hoe dan ook al ‘gebouw’ zijn (en daarmee civielrechtelijk dus wellicht bestanddelen bedoelde) en dat ‘ondergrond’ en ‘aanhorigheden’ géén ‘gebouw’ zijn (maar wellicht wél ‘gebouwd eigendom’) en daarom fiscaalrechtelijk uitdrukkelijk in waarde worden gesaldeerd met het ‘gebouw’;
BNB1978/203 (zie 5.2 hierboven) volgt dat een erfverharding geen onderdeel van een gebouw is als zij niet onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar is aan het aangelegen gebouw, zodat in casu de kwalificatie ‘aanhorigheid’ onontkoombaar lijkt. Onder beide kwalificaties (‘gebouwonderdeel’ en ‘aanhorigheid’) is het gelijk overigens aan de fiscus. Denkelijk om die reden betogen de belanghebbenden dat de erfverharding noch het één, noch het ander is. Hun betoog komt er op neer dat de erfverharding een zelfstandig bedrijfsmiddel is vanwege haar eigen functie.
hedge accounting: de waarden van aanhorigheden, ondergrond en (alle) onderdelen van een gebouw moeten worden gesaldeerd in één bedrag, zodat irrelevant is of een aanhorigheid overigens als zelfstandig bedrijfsmiddel zou kunnen gelden of een eigen gebruikswaarde of functie heeft.
BNB1993/281 (zie 5.15) en HR
V-N2014/26.5 (zie 5.16) van ‘aanhorigheden’ in art. 42a Wet IB 1964 (huurwaardeforfait) en in diens opvolger, het door de NnavV expliciet genoemde art. 3.111 Wet IB 2001 (eigenwoningforfait). Die omschrijving (‘behoort bij, daarbij in gebruik, daaraan dienstbaar’) was bovendien niet nieuw, maar afkomstig uit eerdere rechtspraak en uiteindelijk uit (parlementaire geschiedenis van) wetgeving uit de eervorige eeuw. U zie de fiscale historie van de term ‘aanhorigheid’ in 4.1 – 4.3 hierboven. Die omschrijving strookt dus ook geheel met de meer algemene fiscale rechtshistorie. Die uitleg strookt ook met de omschrijving van de term ‘aanhorigheden’ in de gemeentelijke belastingen, in 1983 vastgelegd in het Besluit OGB, en strookt ten slotte ook met de samenstelbepaling in art. 16(d) van de huidige Wet WOZ, bij de waardering en objectafbakening waarvan art. 3.30a Wet IB 2001 aansluiting zoekt.