Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
3.Geschil
Beoordeling van het geschil
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende exploiteert een agrarisch bedrijf en bracht in haar aangifte afschrijvingskosten in mindering op diverse bedrijfsmiddelen zoals een mestsilo, kuilvoeropslag, mestplaat en erfverharding. De Inspecteur corrigeerde deze afschrijvingen, stellende dat deze activa als aanhorigheden van gebouwen moeten worden beschouwd en daarmee onder de afschrijvingsbeperking van artikel 3.30a Wet IB 2001 vallen.
De Rechtbank Gelderland stelde belanghebbende in het gelijk, maar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde het oordeel van de Inspecteur. Het Hof oordeelde dat de bedrijfsmiddelen, hoewel zelfstandige activa, als aanhorigheden van de gebouwen moeten worden aangemerkt omdat zij bij de gebouwen behoren, daarbij in gebruik zijn en daaraan dienstbaar zijn.
Het Hof baseerde zich op de wettekst, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie, waarbij het begrip aanhorigheid wordt uitgelegd als een zaak die bij het gebouw behoort en daaraan dienstbaar is, ongeacht zelfstandigheid als bedrijfsmiddel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dat de bedrijfsmiddelen aanhorigheden zijn en onder de afschrijvingsbeperking van artikel 3.30a Wet IB 2001 vallen.