Uitspraak
[verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats] (België),
[verweerster 2], gevestigd te [vestigingsplaats], verweersters in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, mede advocaat bij de Hoge Raad;
dat de Staat verweer heeft gevoerd en de Rechtbank bij vonnis van 27 april 1966 [verweerster 1] en [verweerster 2] heeft toegelaten met getuigen bewijs te leveren omtrent de rol van [verweerster 1] bij de door [verweerster 1] en [verweerster 2] gestelde plannen en omtrent de gestelde schade;
“dat volgens de eerste grief daden van wetgeving nimmer onrechtmatige daden in de zin van artikel 1401 van Pro het Burgerlijk Wetboek kunnen zijn; dat de uitvaardiging van de Vestigingsbeschikking boekverkopersbedrijf 1958 dan ook geen onrechtmatige daad kan zijn;
dat er dus van schuld geen sprake was;
a) aangezien een daad van materiële wetgeving, als hoedanig de voornoemde beschikking is te beschouwen, ook al is zij onverbindend wegens strijd met de Grondwet, nimmer kan zijn een onrechtmatige daad in de zin van artikel 1401 van Pro het Burgerlijk Wetboek, althans niet wanneer zij, zoals in casu, wordt verricht door een Staatssecretaris op grond van, en in overeenstemming met, een wet die hem daartoe in beginsel de bevoegdheid verleent; waaraan niet afdoet de omstandigheid dat bij verkoop door [verweerster 1] en [verweerster 2] aan kruideniers of andere wederverkopers, die niet voldeden aan de in de beschikking gestelde eisen voor het uitoefenen van het boekverkopersbedrijf, een strafvervolging dreigde van hen en van die wederverkopers, welke enkele dreiging reeds een inbreuk was op de vrijheid gedrukte stukken onder het publiek te verspreiden;
Overwegende omtrent het middel: