Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 18 november 1971 betreffende de aan
[X]te
[Z]opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1967;
Hoge Raad
Belanghebbende werd voor het jaar 1967 niet oorspronkelijk aangeslagen, maar kreeg later een navorderingsaanslag opgelegd met een verhoging van honderd procent. De Inspecteur verleende kwijtschelding van 75% van deze verhoging. Belanghebbende betwistte de verhoging en kwam in beroep bij het hof.
Het hof stelde vast dat belanghebbende duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en zelfstandig belastingplichtig was, maar dat dit pas in 1970 bij de Inspecteur bekend werd. De Inspecteur had geen aangiftebiljet uitgereikt en ook belanghebbende had hier niet om verzocht. Het hof oordeelde dat de navorderingsaanslag terecht was opgelegd omdat in februari 1970 de aanslagregeling was voltooid en stilzwijgend was besloten geen aanslag op te leggen.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de bevoegdheid tot het opleggen van een primitieve aanslag nog niet was vervallen binnen de wettelijke termijn van drie jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Er was geen expliciet besluit genomen om geen aanslag op te leggen, zodat de navorderingsaanslag onterecht was opgelegd. De verhoging kon daarom niet gehandhaafd blijven, maar het belastingbedrag zelf bleef in stand.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, vermindert de aanslag tot een aanslag zonder verhoging en bevestigt dat de aanslag als primitieve aanslag moet worden aangemerkt.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt vernietigd en verminderd tot een primitieve aanslag zonder verhoging.