Uitspraak
4 december 1979.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd verdachte veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van circa 480 gram cocaïne. De zaak draaide om de inzet van Amerikaanse DEA-agenten die als undercoveragenten infiltreerden in de onderwereld en verdachte benaderden als medehandelaar in verdovende middelen.
Verdachte en het Openbaar Ministerie stelden cassatieberoepen in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het OM wilde een oordeel over de rechtmatigheid van de opsporingsmethode, terwijl verdachte betoogde dat het OM niet ontvankelijk zou moeten zijn omdat opsporingsambtenaren het strafbare feit medepleegden en uitlokten.
De Hoge Raad oordeelde dat klachten over onjuiste motivering in cassatie niet slagen en dat het OM ontvankelijk is, ook als opsporingsambtenaren gedekt door het OM strafbare feiten plegen. Het hof mocht verklaringen van undercoveragenten als bewijs gebruiken, omdat verdachte niet tot andere handelingen werd gebracht dan waarop zijn opzet reeds was gericht.
De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde de bewezenverklaring en strafoplegging. Het arrest benadrukt de grenzen van rechterlijke toetsing aan de opportuniteit van vervolging en de aanvaardbaarheid van undercoveroperaties in de bestrijding van ernstige criminaliteit.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde de ontvankelijkheid van het OM en de bewezenverklaring van het bezit van cocaïne.