Uitspraak
Burgemeester en Wethoudersvan de gemeente
[Q]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Leeuwardenvan 26 oktober 1979 betreffende na te melden aan
[X]te
[Z]opgelegde aanslag in de toeristenbelasting van de gemeente [Q] voor het jaar 1978;
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een aanslag toeristenbelasting opgelegd aan belanghebbende voor het jaar 1978 wegens verblijf in een tweede woning binnen de gemeente [Q]. Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de aanslag, waarna het Hof de aanslag vernietigde omdat de verordening een belastingheffing bevatte die onafhankelijk was van de duur van het verblijf en het aantal personen dat verblijf hield.
Het Hof oordeelde dat deze regeling leidde tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die niet was gebaseerd op artikel 276 van Pro de gemeentewet. Burgemeester en Wethouders stelden cassatie in tegen deze uitspraak, stellende dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de verordening onverbindend was.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 276, lid 1, van de gemeentewet vereist dat de toeristenbelasting afhankelijk moet zijn van feiten en omstandigheden die verband houden met de duur van het verblijf en het aantal personen. Hoewel een forfaitaire regeling mogelijk is, mag het bedrag niet volledig onafhankelijk zijn van deze factoren. De regeling in de verordening die dit wel deed, was daarom strijdig met de wet en onverbindend.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de uitspraak van het Hof. Hiermee werd de aanslag gehandhaafd als onverbindend wegens strijd met de wettelijke bepalingen omtrent toeristenbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de toeristenbelastingverordening voor tweede woningen onverbindend is wegens strijd met artikel 276 van de gemeentewet.