ECLI:NL:HR:1983:AC7905

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 1983
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
74628
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Moons
  • De Groot
  • De Waard
  • Hermans
  • Jeukens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RijtijdenwetArt. 51 lid 2 Sr
Verwijzingen
1 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Feitelijke leiding geven aan bestuurders bij overtreding rijtijdenwet door rechtspersoon

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch waarin de verdachte, directeur van een B.V., werd verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan bestuurders die de maximale rijtijden overschreden, wat een overtreding van de Rijtijdenwet oplevert. De rechtbank had vastgesteld dat de B.V. als rechtspersoon deze overtredingen had begaan en dat de verdachte als feitelijk leidinggevende verantwoordelijk was.

De verdediging voerde aan dat de bewezenverklaring onjuist was, onder meer door te wijzen op verklaringen die niet voor bewijs waren gebruikt. De Hoge Raad oordeelde echter dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter toekomt en dat hierover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd.

De rechtbank had geoordeeld dat de opdrachten aan de bestuurders niet konden worden uitgevoerd zonder overtredingen van de rijtijdenwet en dat dit voortvloeide uit het algemene beleid van de verdachte als directeur, die rekening hield met de onvermijdelijkheid van deze overtredingen vanwege de praktijk en bedrijfsbelangen.

De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank geen miskenning van art. 51 lid 2 Sr Pro had gemaakt en haar beslissing voldoende had gemotiveerd. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het vonnis gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verdachte is strafrechtelijk verantwoordelijk voor feitelijke leiding aan overtredingen rijtijdenwet.

Uitspraak

22 maart 1983
Strafkamer
Nr. 74.628
E.H.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 30 oktober 1981 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Van de bestreden uitspraak is een fotocopie aan dit arrest gehecht. De nummering van de rechtsoverwegingen is door de Hoge Raad aangebracht.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft Mr. G.J.W. Verschuur, advocaat te Oss, een schriftuur ingediend waarin een middel van cassatie wordt voorgesteld. Van deze schriftuur is een fotocopie aan dit arrest gehecht.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Remmelink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Beoordeling van het middel
4.1 Blijkens rechtsoverweging 9 heeft de Rechtbank telkens in de eerste plaats bewezen verklaard dat, op tijd en plaats als aangegeven, [betrokkene 1], onderscheidenlijk [betrokkene 2], onderscheidenlijk [betrokkene 3], als bemanningslid (bestuurder van een vrachtauto) werkzaam in dienstbetrekking bij [A] B.V. te Oss (hierna te noemen de B.V.), de voor hem ingevolge het Rijtijdenbesluit geldende maximale rijtijd, onderscheidenlijk diensttijd, heeft overschreden. Ingevolge art. 3 van Pro de Rijtijdenwet wordt de B.V. geacht die feiten te hebben gepleegd, met dien verstande dat dit niet geldt indien wordt aangetoond dat de B.V. heeft voldaan aan de eisen, vermeld in het tweede lid van dit artikel. Dat dit laatste het geval zou zijn heeft de Rechtbank niet vastgesteld.
4.2 Anders dan het middel stelt heeft de Rechtbank uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte aan de voormelde gedragingen, die geacht moeten worden door de B.V. te zijn gepleegd, feitelijke leiding heeft gegeven. In het bijzonder heeft de Rechtbank dit kunnen afleiden uit de bewijsmiddelen, genoemd in de rechtsoverwegingen 2, 4 en 5, voor zover verklaringen van [betrokkene 4] inhoudende, in samenhang met de bewijsmiddelen, genoemd in de rechtsoverwegingen 6 en 7. Voor zover het middel de bewezenverklaring op voormeld punt bestrijdt met een beroep op ter terechtzitting door [betrokkene 5] en [betrokkene 4] afgelegde verklaringen welke niet voor het bewijs zijn gebruikt miskent het dat de selectie van het bewijsmateriaal en de waardering daarvan binnen de door de wet getrokken grenzen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, zodat daarover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd.
4.3 De gedachtengang die de Rechtbank blijkens rechtsoverweging 14 op grond van de eerder genoemde bewijsmiddelen heeft gevolgd is deze: dat de aan de betrokken bemanningsleden gegeven opdrachten niet konden worden uitgevoerd zonder dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde overtredingen werden begaan en dat het geven van die opdrachten het gevolg was van het algemene, door de verdachte als volledig bevoegd directeur in de B.V. gevoerde beleid waarin de verdachte er rekening mee hield dat overtreding van de rijtijdenwetgeving, welke wetgeving naar zijn mening onverenigbaar is met de eisen die de praktijk van het wegvervoer en het bedrijfsbelang stellen, onvermijdelijk is.
Door, uitgaande van deze gedachtengang, te oordelen dat de verdachte aan de gepleegde overtredingen feitelijke leiding heeft gegeven heeft de Rechtbank geen blijk gegeven van miskenning van het in art. 51 lid 2 Sr Pro. bepaalde. Evenmin is zij tekortgeschoten in haar plicht haar beslissing op het door het middel besproken punt naar de eis der wet met redenen te omkleden.
4.4 Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president Moons als voorzitter en de raadsheren De Groot, De Waard, Hermans en Jeukens, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op
22 maart 1983.