Uitspraak
[woonplaats].
22 maart 1983.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch waarin de verdachte, directeur van een B.V., werd verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan bestuurders die de maximale rijtijden overschreden, wat een overtreding van de Rijtijdenwet oplevert. De rechtbank had vastgesteld dat de B.V. als rechtspersoon deze overtredingen had begaan en dat de verdachte als feitelijk leidinggevende verantwoordelijk was.
De verdediging voerde aan dat de bewezenverklaring onjuist was, onder meer door te wijzen op verklaringen die niet voor bewijs waren gebruikt. De Hoge Raad oordeelde echter dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter toekomt en dat hierover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd.
De rechtbank had geoordeeld dat de opdrachten aan de bestuurders niet konden worden uitgevoerd zonder overtredingen van de rijtijdenwet en dat dit voortvloeide uit het algemene beleid van de verdachte als directeur, die rekening hield met de onvermijdelijkheid van deze overtredingen vanwege de praktijk en bedrijfsbelangen.
De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank geen miskenning van art. 51 lid 2 Sr Pro had gemaakt en haar beslissing voldoende had gemotiveerd. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het vonnis gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verdachte is strafrechtelijk verantwoordelijk voor feitelijke leiding aan overtredingen rijtijdenwet.