Conclusie
“feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 9.000,00 subsidiair tachtig dagen hechtenis met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
1. De verklaring afgelegd door [verdachte] ter zitting van het hof op 21 april 2016, zakelijk weergegeven inhoudende:
Waarom is dit Yellowfin?
Dit is omdat [medeverdachte 1] deze klant al vele jaren kent en wekelijks belevert. Omdat ik weet welke order de agent met [B] rond gemaakt heeft en dat betreft Yellowfin fillet. Dat is makkelijk te onthouden want deze klant betrekt van ons maar 1 product. Wat er op het label staat en op de factuur is conform de klant zijn instructie.
eerste middelvalt uiteen in twee klachten.
“plaicefillets”zijn geleverd. Dit oordeel geeft volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitleg en/of de reikwijdte van het bestanddeel
“valselijk”, dan wel is ontoereikend gemotiveerd.
onvoldoende onderscheidende” aanduiding van de verhandelde vissoort nog geen
“valsheid”daarvan oplevert.
onvoldoende onderscheidend” in de mond neemt. Dat predicaat is echter bepaald verwarrend in het licht van de overige vaststellingen en overwegingen, waaruit naar mijn inzicht een andere uitleg volgt, namelijk dat het hof ‘plaice’ als aanduiding niet zozeer ‘onvoldoende onderscheidend’, te algemeen of te
weinigspecifiek aanmerkt, maar simpelweg als een
onjuistespecificatie van het door [medeverdachte 1] geleverde visproduct. Nauwgezette lezing van de overwegingen wijst uit dat het hof heeft geoordeeld dat de productomschrijving ‘plaicefillets’
nietstrookt met het product dat in werkelijkheid geleverd is. Ik licht mijn uitleg van ‘s hofs overwegingen nader toe.
In de hiervoor aangehaalde terminologie komt de aanduiding "plaice" uitsluitend voor in verbinding met het begrip "European" en dan is sprake van de vissoort die wordt aangeduid met de Latijnse naam Pleuronectes platessa, in het spraakgebruik en daarom ook hierna wel aangeduid als Noordzeeschol. Alleen bij de aanduiding van die specifieke vissoort wordt het Engelse woord "plaice" dus gehanteerd.”
Op de productlijst van [medeverdachte 1] werd destijds het begrip "plaice" uitsluitend gebruikt in verband met de vissoort Pleuronectes platessa terwijl Yellowfinsole (Limanda aspera) als Yellowfinsole werd aangeduid en dus niet (ook) als "plaice".”
mijnlezing van zijn overwegingen – het begrip ‘plaice’ niet als een (te) ruime, meeromvattende omschrijving van een verzameling (plat)vissoorten, maar – in dit verband – als een specifieke omschrijving van de vissoort schol c.q. Noordzeeschol (Pleuronectes platessa). Verscheidene bewijsmiddelen schragen dit oordeel. “
Yellowfin blijft Yellowfin en plaice is de Engelse benaming voor[de vissoort, D.A.]
schol,” aldus [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 5).
‘plaice’ betreft in dit verband exclusief de vissoort (Noordzee)schol”, is van feitelijke aard. [12] Tegen dit – aldus door mij verstane – oordeel wordt in cassatie niets anders ingebracht dan enkele citaten uit de pleitnota in hoger beroep, zonder kenbaar te maken dat en op welke gronden dit oordeel onbegrijpelijk zou zijn.
onvoldoende onderscheidend”, is het pleit nog niet beslecht ten gunste van het middel. Volgens vaste jurisprudentie kan het niet vermelden van bepaalde gegevens onder omstandigheden (ook) valsheid in geschrift opleveren, zoals – voor zover in de onderhavige zaak van belang – door het achterhouden van voldoende specifieke gegevens. [13] In HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6354,
NJ 2008/74, was ten aanzien van de verdachte als feitelijk leidinggever van een bedrijf dat zich bezighield met de handel in dierengeneesmiddelen een aantal gevallen van valsheid in geschrift bewezen verklaard. Op een vijftal facturen was het geleverde product van een algemene omschrijving voorzien, in plaats van de werkelijke naam van de geleverde producten. Daarmee werd ten aanzien van de aan de genoemde afnemers geleverde producten verhuld wat in werkelijkheid werd geleverd, zulks met het opzet om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving inzake de diergeneesmiddelenvoorziening te ontgaan. Volgens de Hoge Raad moet dit verhullen in een dergelijk geval, gelet op de in deze wetgeving neergelegde regels over registratie en controle van diergeneesmiddelen, worden aangemerkt als het valselijk opmaken in de zin van art. 225 Sr Pro. Deze uitspraak acht ik rechtstreeks van toepassing op de voorliggende casus.
indiener bij het verhandelen van visproducten van een factuur gebruik wordt gemaakt [14] met vermelding van een benaming, deze wel de juiste en specifieke handelsbenaming dient te bevatten. Dat op een andere wijze wel is voorzien in het verstrekken aan de consument van de juiste specifieke handelsbenaming (etikettering, verpakking dan wel enig begeleidend handelsdocument anders dan die factuur), doet aan de eis (ook) in de factuur de juiste en specifieke handelsbenaming te vermelden niet af. Dat zou immers, wanneer de etikettering, verpakking en handelsdocumenten in samenhang worden bezien, in strijd met het beoogde doel van de regelgeving, tot misverstanden en onduidelijkheden kunnen leiden.
telkens enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen” dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
tweede middelklaagt dat het oordeel van het hof ten aanzien van het vereiste
“opzet”en
“oogmerk”blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, nu het daarmee een verantwoordelijkheid bij [medeverdachte 1] heeft neergelegd welke bij de Italiaanse afnemer had behoren te liggen. In de toelichting op het middel wordt, kort gezegd, aangevoerd dat het opzet en het oogmerk van [medeverdachte 1] niet op misleiding waren gericht, maar op het volgen van instructies van gerenommeerde klanten.
“publica fides”– het in het maatschappelijk verkeer heersend vertrouwen – in hetgeen is geschreven. Art. 225 Sr Pro beschermt dat vertrouwen. [16] Het (bijkomend) oogmerk in art. 225, eerste lid, Sr verlangt in lijn daarmee niet een oogmerk tot benadeling of bevoordeling, maar een oogmerk tot misleiding. Dit oogmerk behelst doelbewustheid met betrekking tot het gebruiken of het doen gebruiken van het valse of vervalste geschrift als echt en onvervalst. [17] Deze doelbewustheid behelst minst genomen zekerheids- of noodzakelijkheidbewustzijn. Voorwaardelijk opzet is niet toereikend. [18] Oogmerk van misleiding betekent dat er derden in het spel moeten zijn die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Een daadwerkelijk gebruik is voor art. 225, eerste lid, Sr niet nodig [19] en het gebruik behoeft niet te bestaan in de bewijslevering waarvoor het stuk (in de eerste plaats) bestemd is. [20]
“publica fides”-ratio van art. 225 Sr Pro. [21]
“plaice”niet strookte met de werkelijke aard van het door haar geleverde visproduct en dat [medeverdachte 1] de handelsagent op diens verzoek heeft gevolgd in zijn wens op de facturen de term
“plaicefillets”te vermelden. [medeverdachte 1] heeft – zich bewust van de valsheid – de facturen naar de Italiaanse klanten verzonden. Door aldus te handelen heeft [medeverdachte 1] de facturen in het maatschappelijk verkeer gebracht en heeft zij het vermoeden op zich geladen dat het mogelijke gebruik door de Italiaanse afnemers jegens derden (consumenten) door [medeverdachte 1] was ingecalculeerd. Het hof heeft geoordeeld dat [medeverdachte 1] zodoende het oogmerk had om de geschriften (de facturen) als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Daaraan doet niet af dat [medeverdachte 1] in dit verband gehoor heeft gegeven aan een verzoek van de Italiaanse afnemers en dat hen (wellicht) ook een verwijt kan worden gemaakt. Gelet hierop getuigt ’s hofs oordeel dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
derde middelklaagt over ’s hofs oordeel dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen, valsheid in geschrift, begaan door de rechtspersoon [medeverdachte 1] . Dit oordeel geeft volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip
“feitelijk leidinggeven”, dan wel is ontoereikend gemotiveerd.