Conclusie
[A] B.V.
[C] B.V.
Overweging met betrekking tot het bewijs
eerste middel(p. 1 van de schriftuur) klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde feitelijk leidinggeven, in het bijzonder het daarvoor vereiste opzet van verdachte, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
NJ2016/375 m.nt. Wolswijk de steller van het middel niet kunnen verbazen dat er een verband bestaat tussen het opzet van de rechtspersoon en dat van de feitelijke leidinggever. Nu (zie de bewijsoverweging) de voorbereidende werkzaamheden voor de aangifte zouden worden gedaan door een accountantskantoor, de vennootschap vele malen een afspraak heeft afgezegd, terwijl (bewijsmiddel 1) verdachte de cijfers aan het kantoor aanleverde, vader dan de gegevens besprak met het kantoor en vervolgens alles besprak met verdachte, is het niet onbegrijpelijk dat het hof mede in aanmerking genomen dat er verzoeken en/of aanmaningen van de belastingdienst zijn uitgegaan, opzet van de verdachte heeft bewezen geacht. In het oordeel van het hof ligt besloten dat gelet op de omstandigheden verdachte moet hebben geweten dat er geen aangifte vennootschapsbelasting werd gedaan, althans bewust de aanmerkelijk kans daarop heeft aanvaard.
tweede middel(p. 9 van de schriftuur) klaagt dat het hof het verweer van de verdediging dat niet bewezen kan worden dat [A] B.V. binnen de onder 2 tenlastegelegde periode opzet had op het niet of niet tijdig indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2006, omdat door middel van een aanmaning van de Belastingdienst uitstel was gegeven om de aangifte in te dienen, ten onrechte heeft verworpen. Het hof zou ten onrechte niet op het verweer hebben gereageerd, terwijl het verweer ook niet wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
derde middel(p. 15 van de schriftuur) de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde feitelijk leidinggeven, meer in het bijzonder het daarin besloten liggende opzet van verdachte, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
vierde middel(p. 20 van de schriftuur) klaagt dat het bewezenverklaarde opzet van de rechtspersoon zoals onder 1 bewezenverklaard, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
vijfde middel(p. 23 van de schriftuur) dat het onder 3 bewezenverklaarde feitelijk leidinggeven, meer in het bijzondere het daarvoor vereiste opzet van verdachte, voor wat betreft [A] B.V. niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
zesde middel(p. 29 van de schriftuur) klaagt eveneens dat het onder feit 3 bewezenverklaarde feitelijk leidinggeven, in het bijzonder het daarvoor vereiste opzet van verdachte, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, ditmaal voor wat betreft het onderdeel dat een drietal horloges toebehorende aan [A] B.V., korte tijd na datum faillissement zijn beleend bij de stadsbank Amsterdam, zonder deze horloges bij het uitspreken van het faillissement af te staan aan de curator en zonder het ontvangen bedrag aan de curator af te dragen. De klacht spitst zich toe (zie de toelichting in de schriftuur onder 6.18) op het ontbreken van een nadere motivering van het opzet van verdachte dat vereist is in het kader van feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging (het belenen van de horloges zonder het geleende bedrag af te dragen).
zevende middel(p. 35 van de schriftuur), waarin wordt geklaagd dat het onder feit 3 bewezenverklaarde voor zover inhoudende dat de horloges zijn beleend voor een bedrag van EUR 20.500,00 niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat daaruit volgt dat de beleensom slechts EUR 10.000,00 bedroeg.
achtste middel(p. 37 van de schriftuur) klaagt wederom dat het feitelijk leidinggeven, in het bijzonder het daarin besloten liggende opzet van de verdachte, ter zake feit 3 niet uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt, ditmaal voor wat betreft het bewezenverklaarde onderdeel dat [C] B.V. aan de curator niet heeft gemeld dat zij aandelen houdt in een vennootschap naar Belgisch recht, [H] B.V.B.A.
verdachte wist dat [medeverdachte 3] niet alle baten aan de curator zou gaan melden” anders dan de steller van het middel kennelijk meent (schriftuur onder 8.5) niet met zoveel woorden beperkt tot [A] B.V. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Daar komt nog bij dat het opzet van verdachte op het niet melden van het aandelenbezit van [C] B.V. in [H] B.V.B.A. in de bewijsoverweging zeker niet uitsluitend op die vaststelling is gebaseerd.
negende middel(p. 41 van de schriftuur) klaagt dat het medeplegen van feitelijk leidinggeven ter zake feit 3 niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
tiende middel(p. 46 van de schriftuur) klaagt dat het hof heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging inhoudende dat uit artikel 15 Wet Pro op de Omzetbelasting 1968 niet blijkt dat de omzetbelasting niet in aftrek kan worden gebracht over de aan- en verkoop van landbouwgrond (en er door het wel in aftrek brengen van die omzetbelasting er dus geen sprake is van schending van de AWR), althans dat het hof het hiervoor genoemde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten onrechte heeft verworpen, althans heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, althans dat het bewezenverklaarde niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
elfde middel(p. 52 van de schriftuur) klaagt dat het hof de ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van verdachte heeft gedenatureerd door de woorden “
ik besprak alles met hem” onaanvaardbaar ruim uit te leggen c.q. ruimer uit te leggen dan de essentie van die verklaring toestaat.
twaalfde middel(p. 55 van de schriftuur) dat de motivering van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet zonder meer begrijpelijk is.
Oplegging van straf en/of maatregel