Uitspraak
6 mei 1983.
Hoge Raad
Curaçao Oil Terminal N.V. (COT) en Shell Curaçao N.V. (SCNV) voerden een procedure tegen het Eilandgebied Curaçao waarin zij twee belastingverordeningen aanvochten: de Tankbelasting en de Bullenbaaiheffing. Deze verordeningen waren opgelegd nadat COT een belastingvrijstelling had gekregen op grond van de Landsverordening ter bevordering van industrievestiging en hotelbouw 1953.
De rechtbank wees de vorderingen af, maar het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen vernietigde dit vonnis en verklaarde de verordeningen onverbindend wegens strijd met de genoemde Landsverordening en misbruik van bevoegdheid. De Hoge Raad toetste dit oordeel in cassatie.
De Hoge Raad bevestigde dat de belastingverordeningen nagenoeg uitsluitend COT treffen en dat zij de belastingvrijstelling die COT geniet in niet te verwaarlozen mate aantasten. Dit is in strijd met de strekking van de Landsverordening die een fiscaal aantrekkelijke sfeer wil scheppen voor buitenlandse investeerders in de Nederlandse Antillen als geheel. De verordeningen zijn daarom onverbindend. De Hoge Raad corrigeerde wel dat de Bullenbaaiheffing voor zover zij andere belastingplichtigen dan COT betreft, niet onverbindend is.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het Eilandgebied onrechtmatig heeft gehandeld jegens COT en daarom gehouden is tot schadevergoeding. Voor SCNV werd dit niet vastgesteld. De Hoge Raad wees het cassatieberoep verder af en veroordeelde eisers tot de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de belastingverordeningen onverbindend en bevestigt de onrechtmatigheid van het Eilandgebied jegens COT met veroordeling tot schadevergoeding.