Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 6 augustus 1982 betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1976;
Hoge Raad
Belanghebbende, een zelfstandig ondernemer, kreeg voor 1976 een voorlopige aanslag premieheffing volksverzekeringen opgelegd. Bij de aanslagregeling werd abusievelijk geen premieheffing ingevuld, waardoor een formulier werd verzonden waarin stond dat geen aanslag werd opgelegd en de voorlopige aanslag werd vernietigd. Later ontdekte de inspecteur de fout en legde alsnog een navorderingsaanslag op.
Het geschil betrof de rechtsgeldigheid van deze navorderingsaanslag. Het hof oordeelde dat het formulier geen formele beschikking was, maar wel een ondubbelzinnige mededeling dat de voorlopige aanslag werd vernietigd. De inspecteur mocht echter alsnog navorderen omdat het formulier berustte op een administratieve fout en de belastingplichtige met ervaring in premieheffing dit kon begrijpen.
Belanghebbende voerde aan dat dit in strijd was met artikel 11 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het gelijkheidsbeginsel, omdat fouten van de inspecteur anders worden behandeld dan fouten van belastingplichtigen. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat ambtelijke vergissingen dezelfde gevolgen moeten hebben als fouten van belastingplichtigen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de uitspraak van het hof dat de navorderingsaanslag terecht was opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de geldigheid van de navorderingsaanslag premieheffing volksverzekeringen 1976 en verwerpt het cassatieberoep.