Uitspraak
21 oktober 1986.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van het Verenigd Koninkrijk tot uitlevering van een persoon geboren in Noord-Ierland, verdacht van diverse strafbare feiten waaronder ontploffing, samenzwering, zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De Hoge Raad beoordeelt de toelaatbaarheid van uitlevering op grond van het Nederlands-Brits Uitleveringsverdrag en de Nederlandse Uitleveringswet.
De Raad oordeelt dat uitlevering voor het teweegbrengen van een ontploffing en samenzweren daartoe niet toelaatbaar is vanwege de verdragsgeschiedenis en het ontbreken van strafbaarheid volgens het verdrag. Uitlevering voor het bezit van vuurwapens wordt eveneens afgewezen omdat dit niet in het verdrag is opgenomen en geen gevangenisstraf van een jaar of langer oplevert volgens Nederlands recht.
Voor de feiten van zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving verklaart de Hoge Raad de uitlevering wel toelaatbaar, mede op basis van voldoende bewijs en het ontbreken van een staatkundig karakter van deze delicten. Klachten over onmenselijke behandeling en het ontbreken van een fair hearing worden niet door de Nederlandse rechter beoordeeld vanwege het lidmaatschap van het EVRM door het Verenigd Koninkrijk.
Ten aanzien van het verzoek tot afgifte van inbeslaggenomen voorwerpen wordt slechts een deel toegestaan, namelijk die voorwerpen die door misdrijf verkregen zijn of als bewijs kunnen dienen. Het overige wordt afgewezen. De uitspraak bevat een gedetailleerde opsomming van de toegestane en geweigerde voorwerpen.
Uitkomst: Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gedeeltelijk toegestaan voor zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, overige verzoeken worden afgewezen.