Conclusie
Nummer21/04466 U
Inleiding
Het eerste middel: de toepasselijkheid van het Uitleveringsverdrag NL-VK
Tractatenblad1967, 131, waarin op pagina 1 wordt vermeld dat het Uitleveringsverdrag NL-VK op 14 maart 1899 in werking is getreden onder de voorwaarden gesteld in artikel XVIII, eerste lid, voor de Britse koloniën en overzeese gebiedsdelen, waarbij uitdrukkelijk Bermuda wordt genoemd. [5] Daaruit volgt dat Bermuda in ieder geval in 1967 nog werd aangemerkt als “koloniën en overzeesche gebieden” waarnaar wordt verwezen in art. XVIII, eerste lid, Uitleveringsverdrag NL-VK. Ik wijs er verder op dat het uitleveringsverzoek afkomstig is van de Gouverneur van Bermuda die aan dat verzoek het verdrag ten grondslag heeft gelegd waarvan de stellers van het middel in cassatie betwisten dat het van toepassing is. Alleen al op basis van het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat dit verdrag ten minste volgens de verzoekende Staat van toepassing is en dat Bermuda nog steeds moet worden aangemerkt als een van de “koloniën en overzeesche gebieden” van het Verenigd Koninkrijk.
Staatsblad1899 nummer 15, waarin werd opgenomen: het besluit “van den 2den Januari 1899, bepalende de plaatsing in het Staatsblad van het te Londen op 26 september 1898 tusschen Nederland en Groot-Britannië gesloten verdrag tot uitlevering van misdadigers, ook van toepassing op de wederzijdsche Koloniën”.
Tractatenblad1967, 131 volgt dat Bermuda moet worden beschouwd als een kolonie of bezitting in de zin van art. XVIII van het verdrag.
Foreign, Commonwealth and Development Officete Londen, die zich bij de stukken bevindt, waarmee het uitleveringsverzoek van de gouverneur en opperbevelhebber R. Lalgie, zijn weg heeft gevonden naar de Nederlandse ambassade te Londen en van daaruit verder de diplomatieke weg heeft afgelegd naar het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Het zevende middel: de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard
DE BESCHULDIGINGEN22 DAT vermeld wordt dat:
[A] , voorheen [B] , is/was een in Bermuda opgericht bedrijf. Het is/was een Klasse C verzekeraar Bermuda Insurance Act 1978 en een gescheiden Accounts Company overeenkomstig sectie 6 van de gescheiden Accounts Companies Act 2000. Deze onderneming valt daarom onder het toezicht van de Bermuda Monetaire Autoriteit (BMA).
Het werd langzamerhand duidelijk voor de BMA dat [A] liquiditeitsproblemen had, omdat ze niet XI. over voldoende fondsen beschikten in “liquide activa” zoals contant geld en obligaties, om te dekken wat aan beleggers verschuldigd was. De BMA heeft geprobeerd deze kwestie in 2017 bij het bedrijf aan te pakken. Deze situatie verbeterde niet en [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] hebben uiteindelijk op 24 januari 2018 een bijeenkomst met de BMA bijgewoond.
[XII.]
Op deze bijeenkomst gaf [opgeëiste persoon] twee garanties:
a. Dat [A] een kredietfaciliteit zou verkrijgen die gelijk is aan de verplichtingen van de polishouder, verminderd met de liquide middelen die de onderneming in haar bezit heeft,
b Dat alle nieuwe activiteiten die door het bedrijf worden gegenereerd, in de vorm van de premies van beleggers zouden worden belegd, minus de operationele kosten van de onderneming, in bankdeposito's met een looptijd van een maand.
De gegevens van de Julius Baer-rekening (0310.8812 2120.333.01) die door de BMA is verkregen, tonen een bedrag van $4.000,000 op deze rekening van [A] op 10 april 2018. Deze overdracht laat zien dat het geld van beleggers wordt overgedragen van [A] -rekeningen naar andere bedrijven die eigendom zijn van en gecontroleerd worden door [opgeëiste persoon] of [betrokkene 1] .
Op 18 april 2018 schreef de BMA aan [A] om tussentijdse rekeningen aan te vragen. In antwoord op het BMA-verzoek stuurde een accountant bij [E] , [betrokkene 4] , op 15 mei 2018 een e-mailbericht, onder leiding van [opgeëiste persoon] . De documenten die aan deze e-mail zijn gehecht, bevatten een reeks tussentijdse [A] -rekeningen over de periode 3 1 december 2017 tot 31 maart 2018, die een aanzienlijke stijging van de ‘intercompany loans’ voor de periode vertoonden.
De BMA nam contact op met [A] en ontving op 27 juli 2018 een e-mail van [betrokkene 1] die beweerde aan te tonen dat de kredietlijn bestond.
a. Een kredietovereenkomst tussen [A] en Bank Julius Baer, Zwitserland
b. Een pandovereenkomst tussen [F] en Bank Julius Baer, Zwitserland
c. Een ondersteuningsovereenkomst tussen [F] en [A]
[XXVI.]
Het document onder a) was gedateerd 13 maart 2018 en ondertekend door [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] , namens [A] , maar niet ondertekend door iemand namens de Julius Baer Bank. Ontevreden over deze documentatie vroeg de BMA om aanvullend bewijs van de kredietlijn dat uiterlijk op 17 augustus 2018 zou moeten worden geleverd en op deze datum antwoordde [betrokkene 1] per e-mail, waaraan hij een brief van de Julius Baer Bank bij voegde. De e-mail beweerde dat de faciliteit aanwezig was, maar in het bijgevoegde document stond: ‘de lener moet een kredietlimiet aanvragen. Het ondertekenen van een kredietovereenkomst voorziet de lener met automatisch van een kredietlimiet’.
[XXVII.] Dit document geeft aan dat er op 13 maart 2018 geen kredietlimiet was ingesteld, zoals ten onrechte werd beweerd door [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] .
Tussen 21 februari 2018 en 31 augustus 2018 werd $6.789,985.00 overgeboekt op rekeningen die door [A] bij HSBC Bank in Bermuda werden aangehouden, genummerd [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] . Dit geld werd vervolgens overgemaakt op rekening [rekeningnummer 3] . Een totaal van $5,420,343 werd vervolgens overgeboekt naar bedrijfsrekeningen gerelateerd aan [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] . als volgt:
[J] NV $86.252.30
[I] $784.091,23
[A] (Bank Julius Baer) $4,550,000.00
[XXXIV.]
In de periode van 3 april 2019 [ik lees verbeterd: 2018, DP] tot 30 juni 2018 werd een totaal van ten minste GBP 1,640,000 overgemaakt van de rekening van [A] bij Bank Julius Baer, rekeningnummer [rekeningnummer 4] , naar [D] , Londen.
[XXXV.]
[opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] , die beleggers hebben misleid om hun fondsen onder de hoede van [A] te plaatsen, hebben deze fondsen, niet op een ‘gescheiden rekening’ geplaatst of annuïteitbeleggingen gekocht, maar grote tranches geld overgedragen naar bedrijven die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door henzelf buiten de jurisdictie. Dit ging door, ondanks hel feit dat de BMA schriftelijk garanties had gegeven met betrekking tot die toekomstige acties van het bedrijf in januari 2018. Zij misleidden de BMA verder door misleidende documenten te verstrekken met betrekking tot het beslaan van een bestaande kredietlijn tussen Bank Julius Baer en [A] .
Op 14 november 2018 ontving de BMA een e-mail waarin werd opgemerkt dat [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] ontslag hadden genomen als bestuurders en officieren van [A] .”
Het tweede middel: de genoegzaamheid van de stukken
Eerste klacht: de stukken waarop de rechtbank acht heeft geslagen
Tussen de 2e dag van januari 2018 en de 14e dag van november 2018, op de eilanden van Bermuda, [betrokkene 5] en anderen ertoe heeft aangezet om geld te investeren op deposito bij [A] door oneerlijke verhulling van materiële feiten, namelijk dat [A] niet werd gerund als een gescheiden Accounts Company.
In strijd met artikel 404(a) van het Wetboek van Strafrecht”. [16]
originelestukken”. Een kopie volstaat niet, ook niet als het om digitale bestanden gaat, aldus de stellers van het middel.
Zijn de stukken getekend of gewaarmerkt overeenkomstig art. XII Uitleveringsverdrag NL-VK?
1. THAT I am a Barrister and Attorney-at-Law and I am able to conduct prosecutions on behalf of the Director of Public Prosecutions, and I am authorised to swear this Affidavit on behalf of the Director of Public Prosecutions.
[…]
7. THAT I am one of the Prosecutors now seized with the responsibility for seeking the extradition from Holland of [opgeëiste persoon] who holds British Citizenship and a Belgian Residence Permit.
[…]
17. THAT, on 25th APRIL 2019, INDICTMENT No 13 of 2019 was signed by the Registrar of the Supreme Court of Bermuda in relation to [betrokkene 1] alone. This charged him with all the offences with which [opgeëiste persoon] is charged, save for one Count of Transmitting False Information to the Bermuda Monetary Authority.
Inzage in de (bestanden op de) CD-ROM
De bestanden op de CD-ROM als “afschrift” als bedoeld in art. Uitleveringsverdrag NL-VK
Het derde middel: het door de verzoekende Staat overgelegde bewijs
NJ1983/326, waarin als maatstaf werd aangelegd dat “indien de opgeëiste persoon voor een Nederlandse rechter zou zijn vervolgd, niet hoogstonwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten”. [20]
Onverwijld onschuldig
[…]
Onschuld van de opgeëiste persoon
De rechtbank overweegt dat een onschuldverweer alleen opgaat als de uitleveringsrechter tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AU2698). De rechtbank overweegt dat de beoordeling van het verweer van de raadsvrouw een verdergaand onderzoek vergt, zodat niet geconcludeerd kan worden dat de opgeëiste persoon zijn onschuld onverwijld kan aantonen.
Het vierde middel: art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK
Witwassen4. Nu het verdrag leidend is dient het verzoek om uit te leveren voor het feit witwassen primair ontoelaatbaar verklaard te worden omdat het feit witwassen niet is opgenomen in de lijst met 28 feiten in artikel lI van het verdrag. De misdrijven, terzake waarvan de uitlevering zal worden toegestaan zijn de volgende – waarna een opsomming van tal van strafbare feiten volgt – is daar vermeld. Het feit witwassen bestond echter nog niet en er staat geen equivalent van het huidige witwassen opgesomd in die lijst, waardoor de uitlevering voor het feit witwassen ontoelaatbaar dient te worden verklaard.
Uitlevering zal ook kunnen worden toegestaan, naar het goeddunken van den staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd, ten opzichte van eenig ander misdrijf waarvoor, overeenkomstig de wetten der beide Contracteerende Partijen op dat tijdstip van kracht, de toestemming kon worden verleend’. De rechtbank is van oordeel dat dit inhoudt dat uitlevering ook toelaatbaar is ten aanzien van feiten die niet specifiek in artikel II van het verdrag zijn genoemd, mits voldaan is aan de vereisten van de Uitleveringwet. In het geval van witwassen wordt voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 5 Uw Pro, waarbij de rechtbank ook in dit verband aansluiting zoekt bij vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over dubbele strafbaarheid, waaruit volgt dat bij beoordeling hiervan de strafbaarheid van de gedraging zoals omschreven in de ‘uiteenzetting der feiten’ beslissend is en dat niet is vereist is dat de delictsomschrijvingen uit beide staten elkaar precies dekken, zolang ze maar in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen.”
zaluitleveren. Daarnaast voorziet art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK in de mogelijkheid de uitlevering te
kunnentoestaan, ter zake van misdrijven die niet in art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK zijn aangewezen maar waarvoor uitlevering mogelijk is op grond van de wet die “op dat tijdstip van kracht is”. Anders gezegd: Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn met elkaar de
verplichtingaangegaan over en weer personen uit te leveren ter zake van de 26 misdrijven die zijn aangewezen in art. II, eerste lid, Uitleveringsverdrag NL-VK en hebben daarnaast voorzien in de
mogelijkheidom over en weer personen uit te leveren ter zake van andere feiten onder de voorwaarde dat die toestemming kon worden verleend. Voor die toestemming is niet het verdrag bepalend, maar het antwoord op de vraag of “toestemming kon worden verleend” overeenkomstig “de wetten der beide Contracterende Partijen op dat tijdstip van kracht”.
Het vijfde middel: de strafbaarheid naar Nederlands recht van feit 2
[volgt de tekst van art. 420bis Sr]
jo.artikel 5 Uw Pro van een onjuiste rechtsopvatting [getuigt], althans [dat] dat oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd” is. Naast deze meer algemene klacht richt de tweede klacht zich in het bijzonder tegen de strafbaarheid naar Nederlands recht van het verwijt dat de opgeëiste persoon “roekeloos informatie heeft verstrekt die onjuist misleidend is in een bepaald materieel”.
°in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
Transmitting false information33 (1) Where the Authority requires information –
(a) in the discharge of its functions under section 21 (l)(a); or
(b) in the discharge of its functions under section21(l)(d) or its functions relating to the supervision, regulation or inspection of a financial institution under this Act, then a person commits an offence if he furnishes or is concerned with furnishing any information to the Authority knowing the same to be false or misleading in a material particular or recklessly furnishes information which is false or misleading in a material particular.”