Uitspraak
1 juli 1986.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam over het uitleveringsverzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland voor een persoon veroordeeld voor vijfvoudige moord en andere ernstige feiten. De Rechtbank had de uitlevering voor enkele feiten toelaatbaar verklaard en voor andere ontoelaatbaar.
Het cassatieberoep richt zich onder meer op de vraag of de feiten als politieke delicten kunnen worden aangemerkt, waarbij het criterium van een absoluut politiek delict versus relatief politiek delict centraal staat. Ook is betwist of de uitlevering kan worden geweigerd op grond van mogelijke schendingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name artikel 3 en Pro 6.
De Hoge Raad oordeelt dat het uitleveringsverdrag van 1898 slechts ziet op absolute politieke delicten en dat de rechtbank ten onrechte een te ruim criterium hanteerde voor het politieke karakter van de feiten. Verder wordt bevestigd dat klachten over schending van EVRM-rechten in de uitleveringsprocedure niet tot weigering van uitlevering leiden indien het betrokken land het EVRM heeft geratificeerd en het individuele klachtrecht erkent.
De Hoge Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat de uitlevering buiten de toelaatbare feiten afwijst en beveelt dat de opgeëiste persoon wordt opgeroepen om te worden gehoord over het uitleveringsverzoek. Het beroep wordt voor zover toelaatbaar verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat uitlevering buiten de toelaatbare feiten afwijst en beveelt oproeping van de opgeëiste persoon.