Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 13 december 1984 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1981.
Hoge Raad
Belanghebbende maakte aanspraak op aftrek van kosten van verpleging van zijn schoonmoeder, die na haar overlijden door hem en zijn echtgenote als erfgenamen waren betaald. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de kosten tot de passiva van de nalatenschap behoorden en uit de nalatenschap waren voldaan.
Het Hof bevestigde deze weigering en oordeelde dat de kosten niet op belanghebbende drukten in de zin van artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende stelde cassatie in en voerde aan dat aftrek mogelijk moet zijn, ook als de kosten uit het vermogen van de overledene zijn betaald.
De Hoge Raad kwam terug op eerdere rechtspraak en oordeelde dat het wettelijke stelsel van de inkomstenbelasting niet vereist dat aftrek wordt geweigerd vanwege betaling uit de nalatenschap. De aansprakelijkheid van erfgenamen vermindert hun vermogen en de kosten kunnen daarom aftrekbaar zijn als buitengewone lasten.
De zaak werd terugverwezen naar het Hof voor nader onderzoek naar de omstandigheden en de hoogte van de aftrekbare kosten, met inachtneming van de geldende drempel en vermenigvuldigingsfactoren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de aftrekbaarheid van de kosten als buitengewone lasten.