Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 1 maart 1988 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
109.500,--
Hoge Raad
Belanghebbende, een schoonmaakbedrijf, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd wegens niet aangegeven omzet uit glazenwassen voor particuliere klanten over de jaren 1981-1985. De Inspecteur handhaafde de aanslag inclusief een verhoging van 100%, zonder kwijtschelding. Het Hof stelde de omvang van de niet-verantwoorde omzet vast op basis van verklaringen van een voorman en een enquête onder cliënten, en kende 50% kwijtschelding toe van de verhoging vanwege omstandigheden waaronder het feit dat de directeuren van belanghebbende strafrechtelijk waren vervolgd en gestraft.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de verhoging geheel kwijtgescholden moest worden omdat de directeuren, die de vennootschap belichamen, een schikking met het Openbaar Ministerie hadden getroffen en zij zelf niet vervolgd werden. De Hoge Raad oordeelt dat een schikking met de directeuren niet gelijkgesteld kan worden aan een schikking met de vennootschap zelf, maar dat het opleggen van een verhoging aan de vennootschap in dergelijke omstandigheden na belangenafweging niet redelijk is.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de juistheid van de stelling dat de directeuren de vennootschap belichamen. Tevens verduidelijkt de Hoge Raad dat het niet tijdig indienen van een verzoek tot vaststelling van het vervallen deel van de verhoging niet uitsluit dat de belastingplichtige zich daarop in rechte kan beroepen. De zaak bevat uitgebreide feiten over het onderzoek, de berekening van de omzet en de discussie over de zeemfrequentie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de redelijkheid van de verhoging na strafrechtelijke schikking met directeuren.