ECLI:NL:CRVB:2015:539
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Vertrouwensbeginsel bij onjuiste toezegging over WAO-uitkering door arbeidsdeskundige
Appellante, werkzaam als ziekenverzorgende, viel in 1997 uit wegens ziekte en kreeg in 1998 geen WAO-uitkering omdat zij geschikt werd geacht voor gangbaar werk. In 2009 verzocht zij om herkeuring, ondersteund door psychologisch en medisch onderzoek, waaruit bleek dat zij voor 80-100% arbeidsongeschikt was. De arbeidsdeskundige van het UWV bracht haar hiervan op de hoogte in een brief van juni 2010, waarin werd gesteld dat haar WAO-uitkering zou worden opgehoogd.
Later stelde het UWV bij besluit van januari 2011 dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat de arbeidsdeskundige niet bevoegd was om toezeggingen te doen. Appellante maakte bezwaar en beriep zich op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank wees het beroep af, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat appellante gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de toezegging van de arbeidsdeskundige.
De Raad stelde vast dat de brief ondubbelzinnig was en dat het UWV nalatig was geweest appellante tijdig te informeren over de onbevoegdheid van de arbeidsdeskundige. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd gehonoreerd, waardoor het UWV niet met terugwerkende kracht de uitkering mocht weigeren. De Raad droeg het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen en liet de mogelijkheid open tot herziening van de uitkering voor de toekomst.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gehonoreerd en het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen.