Uitspraak
10 januari 1992.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of derdenbeslag gelegd door de ontvanger der Rijksbelastingen onder huurders, beslag kon treffen op toekomstige huurtermijnen die door de Bank waren gecedeerd door een derde partij. De Bank had een vordering en de daaraan verbonden zekerheden, waaronder toekomstige huurvorderingen, overgenomen van een vennootschap.
De ontvanger had beslag gelegd op de huurtermijnen, maar de Bank stelde dat deze vorderingen niet tot het vermogen van de debiteur behoorden vanwege de cessie. De Rechtbank had de Bank in het gelijk gesteld, maar de ontvanger stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis. De Hoge Raad moest beoordelen of de dagvaarding van de gerechtsdeurwaarder geldig was en of het beslag de Bank aansprak.
De Hoge Raad oordeelde dat de dagvaarding van de gerechtsdeurwaarder nietig was omdat de bevoegdheid exclusief bij de belastingdeurwaarder lag. Vervolgens werd geoordeeld dat beslag op toekomstige vorderingen die vóór het beslag zijn overgedragen, niet kan worden tegengeworpen aan de cessionaris. Dit volgt uit de uitleg van art. 475h Rv en de wetsgeschiedenis. De Bank is daarom rechthebbende op de huurtermijnen die op een geblokkeerde gezamenlijke rekening staan.
Het arrest bevestigt dat fiscaal voorrecht niet kan worden tegengeworpen aan een cessionaris en dat pandrecht sinds 1992 boven het fiscaal voorrecht gaat. De Hoge Raad verklaarde de dagvaarding in zaak 14.456A nietig, verwierp het beroep in zaak 14.456B en veroordeelde de ontvanger in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de dagvaarding van de gerechtsdeurwaarder nietig en bevestigt dat de Bank rechthebbende is op de toekomstige huurtermijnen onder derdenbeslag.