ECLI:NL:HR:1995:ZC1646

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 februari 1995
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
15846
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Royer
  • Mijnssen
  • Korthals Altes
  • Heemskerk
  • Swens-Donner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Invorderingswet 1990
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid cassatiedagvaarding wegens onbevoegdheid deurwaarder bij belastingvordering

In deze zaak stonden twee procedures centraal waarin de ontvanger van de Belastingdienst cassatie instelde tegen een vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam. De kernvraag betrof de bevoegdheid van de deurwaarder die de cassatiedagvaarding had betekend. In zaak 15.846A was de dagvaarding uitgebracht door een gerechtsdeurwaarder, terwijl in zaak 15.846B dit door een belastingdeurwaarder was gedaan.

De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 4 van Pro de Invorderingswet 1990 de belastingdeurwaarder exclusief bevoegd is om namens de ontvanger deurwaarderswerkzaamheden te verrichten, waaronder het uitbrengen van dagvaardingen. Dit geldt ongeacht de aard van de vordering die door of tegen de ontvanger wordt ingesteld.

Gevolg hiervan was dat de dagvaarding in zaak 15.846A nietig werd verklaard wegens onbevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder en het gevraagde verstek werd geweigerd. In zaak 15.846B werd het gevraagde verstek verleend omdat de belastingdeurwaarder bevoegd was opgetreden. De zaak werd verwezen naar de zitting van de Eerste Enkelvoudige Kamer voor verdere behandeling.

Deze uitspraak bevestigt de exclusieve bevoegdheid van de belastingdeurwaarder bij invorderingsprocedures en benadrukt het belang van correcte procesvertegenwoordiging in fiscale zaken.

Uitkomst: De dagvaarding door de gerechtsdeurwaarder is nietig verklaard en het gevraagde verstek geweigerd, terwijl het verstek in de zaak door de belastingdeurwaarder is verleend.

Uitspraak

24 februari 1995
Eerste Kamer
Nrs. 15.846 A en B
HV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaken van:
De Ontvanger Van De Belastingdienst/Particulieren Rotterdam,
gevestigd te Rotterdam,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr H.D.O. Blauw,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in cassatie
Bij exploiten van 30 november 1994, in de zaak 15.846A uitgebracht door de toegevoegd-kandidaat-deurwaarder [deurwaarder 1], werkzaam te kantore van [deurwaarder 2], gerechtsdeurwaarder bij de Rechtbank te Rotterdam, en in de zaak 15.846B uitgebracht door
[deurwaarder 3], belastingdeurwaarder verbonden aan de Belastingdienst/Particulieren Rotterdam, heeft eiser tot cassatie – verder te noemen: de Ontvanger – verweerder in cassatie – verder te noemen:
[verweerder] – aangezegd dat de Ontvanger beroep in cassatie instelt tegen het tussen partijen op 30 augustus 1994 door de Kantonrechter te Rotterdam onder zaaknummer 38192/1994 uitgesproken vonnis, en voorts [verweerder] gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van vrijdag 23 december 1994. De Ontvanger heeft de zaken op de rol van die zitting doen inschrijven.
Nadat op die terechtzitting gebleken was dat [verweerder] niet was verschenen, heeft de Ontvanger aldaar gevraagd dat tegen deze verstek wordt verleend. De zaken zijn daarop aangehouden tot 6 januari 1995 tot het nemen van conclusie door het Openbaar Ministerie.
Op die zitting heeft de Advocaat-Generaal Asser geconcludeerd dat de Hoge Raad in de zaak rolnr. 15.846A het gevraagde verstek zal weigeren en de cassatiedagvaarding nietig zal verklaren en in de zaak rolnr. 15.846B het gevraagde verstek zal verlenen.
De Eerste Enkelvoudige Kamer heeft vervolgens de zaken verwezen naar de Eerste Meervoudige Kamer voor het nemen van een beslissing op het gevraagde verstek.
De Hoge Raad zal beide zaken gevoegd behandelen.
2. Beoordeling van de gevraagde verstekverlening
De cassatiedagvaarding is in de zaak nr. 15.846A door een gerechtsdeurwaarder en in de zaak nr. 15.846B door een belastingdeurwaarder uitgebracht. Het antwoord op de vraag of het gevraagde verstek kan worden verleend, hangt in elk van beide zaken af van de bevoegdheid van de deurwaarder die de cassatiedagvaarding heeft betekend, nu de voorgeschreven termijnen en formaliteiten voor het overige zijn in acht genomen.
Art. 4 Invorderingswet Pro 1990 kent de belastingdeurwaarder een exclusieve bevoegdheid toe tot het verrichten van de in deze bepaling bedoelde werkzaamheden, voor zover die werkzaamheden geschieden in opdracht van de ontvanger. Zoals voortvloeit uit HR 10 januari 1992, NJ 1992, 744, is de belastingdeurwaarder in alle gevallen waarin de ontvanger zelfstandig eisend of verwerend in rechte optreedt, bij uitsluiting bevoegd tot het in opdracht van de ontvanger verrichten van deurwaarderswerkzaamheden, waaronder het in diens opdracht uitbrengen van dagvaardingen en andere exploiten, ongeacht de aard van de door of tegen de ontvanger ingestelde vordering.
Hieruit volgt dat in de zaak nr. 15.846A de door een gerechtsdeurwaarder uitgebrachte cassatiedagvaarding wegens onbevoegdheid van de deurwaarder nietig moet worden verklaard en het gevraagde verstek moet worden geweigerd, en dat in de zaak nr. 15.846B het gevraagde verstek kan worden verleend.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
in de zaak nr. 15.846A:
verklaart de dagvaarding nietig;
weigert het gevraagde verstek;
in de zaak nr. 15.846B:
verleent het gevraagde verstek;
verwijst de zaak naar de zitting van de Eerste Enkelvoudige Kamer van 3 maart 1995 voor voortprocederen.
Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op
24 februari 1995.