ECLI:NL:HR:1993:ZC5299

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 1993
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
28678
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • van der Linde
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Wet IB 1964Art. 10 Wet IB 1964Art. 14 Wet IB 1964
Verwijzingen
10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over autokostenforfait en boekwinst bij vervanging personenauto in ondernemingsvermogen

Belanghebbende, een zelfstandig architect, ruilde medio 1987 een personenauto uit zijn ondernemingsvermogen in voor een nieuwe auto, waarbij een boekwinst van f 6.135,- werd gerealiseerd. De autokosten in de winst- en verliesrekening van 1987 bestonden uit diverse kosten, de boekwinst op de ingeruilde auto en afschrijving van de nieuwe auto, wat resulteerde in een negatief saldo van f 413,43.

De inspecteur legde een navorderingsaanslag op met een belastbaar inkomen van f 38.935,-, welke ambtshalve werd verminderd tot f 38.383,-. Het hof stelde de aanslag verder bij tot f 33.697,- en oordeelde dat op grond van goed koopmansgebruik de boekwinst bij de vervreemding van het bedrijfsmiddel in aanmerking moest worden genomen, waardoor geen bijtelling op grond van artikel 42 lid 2 Wet Pro IB 1964 hoefde plaats te vinden.

De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad overwoog dat de boekwinst niet op de kosten in mindering gebracht mag worden bij de toepassing van het autokostenforfait, omdat een incidentele bate geen aanwijzing is dat de privégebruikskosten beperkt zijn gebleven. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en handhaafde de navorderingsaanslag zoals ambtshalve verminderd door de inspecteur.

Daarnaast bepaalde de Hoge Raad dat het griffierecht ten aanzien van de vervanging van de mondelinge uitspraak door het hof aan de staatssecretaris wordt terugbetaald.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en handhaaft de navorderingsaanslag zoals ambtshalve verminderd door de inspecteur.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

derde kamer

nr. 282678
17 maart 1993
TB
Gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretarisvan Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 oktober 1991 betreffende na te melden aan [X] te [Z] opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof
Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1987 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f 36.991,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 38.935,--, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof. Op 28 februari 1991 heeft de Inspecteur ambtshalve de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 38.383,--. Het Hof heeft vervolgens de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 33.697,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
Belanghebbende is zelfstandig architect. Medio 1987 ruilde hij een tot zijn ondernemingsvermogen behorende personenauto in voor een nieuwe personenauto. Hierbij realiseerde hij een boekwinst ten bedrage van f 6.135,--.
De in de winst- en verliesrekening voor het jaar 1987 verwerkte autokosten bestonden uit: - diverse kosten(excl. afschrijvingen) f 3.638,23 - boekwinst ingeruilde auto -/- f 6.135,-- - afschrijving nieuwe auto f 2.083,34 Totaal -/- f 413,43.
Twintig percent van de catalogusprijs, als bedoeld in artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), beloopt in het onderhavige geval f 5.295,09.
3.2. Het Hof heeft overwogen: dat goed koopmansgebruik onder meer inhoudt dat bij het bepalen van de kosten verbonden aan het houden van een bedrijfsmiddel in aanmerking dienen te worden genomen alle in een jaar met betrekking tot dat bedrijfsmiddel aangegane kosten, de afschrijvingen op grond van artikel 10 van Pro de Wet en, behoudens indien en voor zover gebruik is gemaakt van de voorzieningen in artikel 14 van Pro de Wet, de winst gemaakt bij de vervreemding van het bedrijfsmiddel; dat de kosten verbonden aan het houden van de personenauto in het onderhavige geval resulteerden in een voordelig saldo van f 413,43, zodat er uiteindelijk geen kosten verbonden aan het houden van een personenauto hebben gedrukt op het resultaat van belanghebbendes onderneming.
Op grond van een en ander heeft het Hof geoordeeld dat in het onderhavige geval een bijtelling op grond van het bepaalde in artikel 42, lid 2, van de Wet ter zake van niet ten behoeve van de onderneming gemaakte kosten, achterwege dient te blijven. Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen keert zich het middel.
3.3. In het algemeen moet ervan worden uitgegaan dat de aan het houden van een personenauto verbonden kosten die ingevolge artikel 42, lid 2, van de Wet worden geacht niet ten behoeve van de onderneming te zijn gemaakt, in enig jaar niet hoger kunnen worden gesteld dan de in dat jaar te dezer zake werkelijk gemaakte kosten. Dit strekt echter niet zo ver, dat, indien in dat jaar bij de vervreemding van de auto een boekwinst tot uitdrukking komt, bij de toepassing van deze regel het bedrag van de boekwinst op de kosten in mindering dient te worden gebracht, aangezien de aanwezigheid van een dergelijke incidentele bate geen aanwijzing inhoudt dat de kosten van het privé-gebruik dienovereenkomstig beperkt zijn gebleven. Evenzo zou een boekverlies bij vervreemding niet tot die kosten dienen te worden gerekend.
3.4. Het middel treft doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
Niet in geschil is dat de in artikel 42, lid 2, bedoelde kosten voor het overige f 5.721,57 belopen, derhalve meer dan het bedrag van f 5.295,09 dat - overeenkomstig het blijkens de stukken van het geding door de Inspecteur nader ingenomen standpunt - ingevolge die bepaling geacht wordt niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming.
4. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, handhaaft de navorderingsaanslag zoals deze door de Inspecteur ambtshalve is verminderd, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge
Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren van der Linde, De Moor,
C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 17 maart 1993.