Uitspraak
[woonplaats].
[betrokkene 1]aan verbalisanten voornoemd:
[medeverdachte], op 16 januari 1991 afgelegd aan de verbalisant [verbalisant 3], onder meer inhoudt — zakelijk weergegeven —:
19 oktober 1993.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van diefstal uit een sportkantine. Het Hof had de verdachte veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, ondanks dat verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen had verricht en slechts in de nabijheid van het delict aanwezig was.
De verdachte verklaarde dat hij wist van de inbraak, maar zelf buiten bleef terwijl anderen naar binnen gingen en goederen meenamen. Hij deelde later mee in de buit, maar had geen actieve rol in de uitvoering van het delict. De verdediging stelde dat verdachte hoogstens medeplichtige was en geen nauwe samenwerking met de daders had.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onterecht had geoordeeld dat sprake was van mededaderschap, omdat uit de bewijsmiddelen niet bleek dat verdachte een actieve of passieve rol had bij de uitvoering van het delict. Het meedelen in de buit vond plaats nadat de diefstal was voltooid en impliceerde geen nauwe samenwerking. Daarom werd het arrest vernietigd en verwezen voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens ontbreken van nauwe samenwerking en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.