Conclusie
N.V. Nuon Customer Care Center(Nuon CCC) te Amsterdam, appellante in zaak 13/507,
Liander N.V.(Liander) te Arnhem, appellante in zaak 13/526,
Autoriteit Consument en Markt(ACM)
,tot 1 april 2013 de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit [1] , verweerster
1.Feiten en procesverloop
European Article Number(EAN-code) van de aansluiting, de naam van de aangeslotene, de adresgegevens, het standaard jaarverbruik en de identificatie van de actuele leverancier die behoort bij de desbetreffende aansluiting (bedrijfs EAN-code) zijn vastgelegd. Liander heeft met de binnen haar verzorgingsgebied op het gas- en/of elektriciteitsnet aangesloten kleinverbruikers voorts een aansluit- en transportovereenkomst gesloten en beschikt in dit kader over contractgegevens zoals naam en adres van de aangesloten kleinverbruiker en het werkelijke jaarverbruik dat in beginsel door meting wordt vastgesteld. Liander heeft verklaard dat al deze gegevens persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) zijn.
service level agreementmet Nuon CCC afspraken opgenomen met betrekking tot het waarborgen van de vertrouwelijkheid van haar klantgegevens. Met uitzondering van periodiek overleg tussen Nuon CCC en Liander over de uitvoering van de overeenkomst en een steekproefsgewijze controle op de werkvloer van Nuon CCC, is ACM niet gebleken van aanvullende controles op het waarborgen van de vertrouwelijkheid van de klantgegevens van Liander door Nuon CCC.
2.Het verzoek om een conclusie en plan van behandeling
3.Geheimhoudingsplicht
artikel 6 Paspoortwet. Ook in de regelgeving van publiekrechtelijke bedrijfslichamen treft men vergelijkbare formuleringen aan, bijvoorbeeld in artikel 5 Verordening Pro HBAG bestemmingsheffing promotieactiviteiten groothandel groenten en fruit 2013 en artikel 10 Verordening Pro HBAG heffing groenten en fruit 2014.
nietkan worden aangenomen dat de tekst van die bepalingen de reflectie vormt van een bijzondere betekenis die de wetgever aan de geheimhoudingsplicht van de netbeheerder heeft willen toekennen of van een bijzondere bedoeling die de wetgever met het opleggen van die geheimhoudingsplicht aan de netbeheerder heeft gehad. Aan die geheimhoudingsplicht komt in beginsel geen andere betekenis toe dan aan de vergelijkbaar geformuleerde geheimhoudingsplichten die men ook in andere wetten aantreft. Overigens werpt de oorsprong van de geheimhoudingsbepalingen van de E-wet en de Gaswet in de Aanwijzingen voor de wetgevingstechniek op zichzelf geen licht op inhoud en reikwijdte van de in die bepalingen vervatte geheimhoudingsplicht. [6]
“aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven”. [7]
“Misdrijven”), titel XVII (
“Schending van geheimen”), spreekt van het geval dat iemand
“die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt”. Het ligt naar mijn mening voor de hand om ook met het oog op de bestuurlijke sanctionering van artikel 79, eerste lid, E-wet en artikel 37, eerste lid, Gaswet ervan uit te gaan dat overtreding van die bepalingen als delictsgedraging minst genomen een schending van de op de netbeheerder rustende geheimhoudingsplicht veronderstelt. De gedraging van de overtreder zal in elk geval van dien aard moeten zijn, dat gezegd kan worden dat het door hem te bewaren geheim daardoor is geschonden.
“Openbaring van geheimen”. Ook het oorspronkelijke ontwerp van artikel 272 (toen nog: artikel 291) hanteerde de term
“openbaart”:
“Hij die opzettelijk eenig geheim hetwelk hij uit hoofde van zijn ambt of beroep verpligt is te bewaren, openbaart, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes weken of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.” [8] De minister vond “openbaren” echter een te eng begrip, daar openbaren uitsluitend een
algemeenbekendmaken omvat, terwijl elke schending van het geheim strafbaar behoort te zijn. Daarom werd in de bepaling de term
“openbaart”door de term
“bekendmaakt”vervangen. [9]
“bekendmaakt”in artikel 272 Sr Pro door de term
“schendt”vervangen. [10] Anders dan deze wijziging zou kunnen doen vermoeden, ligt daaraan niet een beoogde verruiming, maar juist een beoogde verenging van de reikwijdte van de bepaling ten grondslag. Blijkens de memorie van toelichting van een voorgaand ontwerp [11] werd met deze wijziging beoogd te voorkomen dat de bepaling toepassing zou kunnen vinden, indien bijvoorbeeld een ambtsdrager het geheim bekendmaakt aan degene aan wie hij het ambtshalve moet bekendmaken. [12] In de literatuur heeft deze wijziging de vraag opgeroepen of daarmee de afwezigheid van alle rechtvaardigingsgronden tot bestanddeel van de norm is gemaakt, dan wel slechts de afwezigheid van bekendmakingsplichten die met het bekleden van het ambt of beroep samenhangen. [13]
“(…) die (…) opzettelijk schendt (…)”) ligt het opzet niet al in de delictshandeling (het schenden) zelf besloten. Dat het oorspronkelijke regeringsontwerp dat aan de totstandkoming van de bepaling in het Wetboek van 1886 ten grondslag lag, naast de delictshandeling uitdrukkelijk opzet verlangde, leidde destijds overigens wel tot de vraag van de Raad van State of het woord
“opzettelijk”niet zou moeten worden weggelaten.
“Het opzet(zo motiveerde de Raad van State die vraag)
blijkt uit de daad der openbaring.”De indiener van het ontwerp antwoordde daarop in het Rapport aan den Koning:
“Het woord opzettelijk kan niet worden gemist. Het is toch mogelijk, dat iemand zich een geheim laat ontsnappen, zonder dat hij de openbaring wilde, of ook zonder te weten dat het een geheim is. Daarom moet het opzet aanwezig zijn, zal het feit strafbaar worden; (…).” [14] Dat geheimschending niet al naar haar aard een opzetdelict is, vindt ten slotte bevestiging in het feit dat de wetgever in de jaren vijftig/zestig van de vorige eeuw voornemens was in artikel 272 Sr Pro ook culpoze geheimschending strafbaar te stellen [15] . Van dat voornemen is de wetgever teruggekomen, [16] waarbij in het bijzonder een rol speelde dat het door de Hoge Raad in de jaren vijftig van de vorige eeuw erkende voorwaardelijke opzet ook bij schending van geheimen een rol kan spelen. [17] Kennelijk werd tegen die achtergrond voor algemene strafbaarstelling van culpoze geheimschending geen aanleiding meer gezien, nu dankzij het voorwaardelijke opzet tegen de meest flagrante vormen van (tot bekendmaking leidende) onachtzaamheid reeds op grond van artikel 272 Sr Pro zou kunnen worden opgetreden. [18]
kunnenkennisnemen, maar daadwerkelijke kennisname uitblijft.
kunnenkennisnemen, niet zonder meer met een bekendmaking worden vereenzelvigd. Zoals door Liander en Nuon CCC is benadrukt, maakt ook de wetgever een onderscheid tussen beide situaties, waar hij, naast een geheimhoudingsplicht, in een zorgplicht voorziet. Liander en Nuon CCC hebben in dit verband in het bijzonder gewezen op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), die, naast de geheimhoudingsplicht van artikel 12, in artikel 13 passende Pro technische en organisatorische maatregelen verlangt, die, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau garanderen.
nietde administratie). Alhoewel op zichzelf juist is dat het in de memorie van toelichting ingenomen standpunt de netbeheerder althans jegens anderen dan het in te schakelen administratiekantoor niet zonder meer van de op hem rustende geheimhoudingsplicht ontslaat, is het in verband met het voorgaande niet juist om zulks (zoals ACM doet [23] ) af te leiden uit de in de memorie van toelichting onder 4.4 gemaakte opmerking
dat “(o)ok ingeval van uitbesteding (…) de netbeheerder de uiteindelijke verantwoordelijkheid (draagt)”; [24] deze opmerking, die overigens niet op de te betrachten geheimhouding is toegespitst, betreft slechts de uitbesteding van de limitatief opgesomde taken, bedoeld in artikel 16Aa, tweede lid, E-wet, c.q. artikel 7a, tweede lid, Gaswet.
last but not least, in artikel 2:5, tweede lid, Awb, dat buiten twijfel stelt dat de geheimhoudingsplicht van het eerste lid mede geldt voor instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen, die door een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak worden betrokken.
“behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem(de netbeheerder; LK)
tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit”. Uitbesteding was, in de woorden van memorie van toelichting, weliswaar een andere mogelijkheid om de administratie goed en efficiënt te regelen, maar men kan moeilijk staande houden dat een noodzaak tot uitbesteding uit de wet of uit de taak van de netbeheerder voortvloeide.
nietop die initiële bekendmaking gericht.
schendingvan enig geheim ruimte laat de uitbesteding van de administratie van de netbeheerder met de geheimhoudingsplicht van de netbeheerder verenigbaar te achten. Ik herinner in dit verband aan de wijziging van artikel 272 Sr Pro in 1967, bij welke gelegenheid de formulering
“enig geheim (…) bekendmaakt”door
“enig geheim (…) schendt”is vervangen. Achtergrond van deze wijziging was dat de term
“bekendmaking”als te ruim werd opgevat, omdat hij mede niet-strafbare gevallen van bekendmaking zou omvatten, met name in situaties waarin een ambtsdrager een geheim bekendmaakt aan degene bij wie hij het ambtshalve moet bekendmaken. Die wijziging heeft in de literatuur tot discussie geleid over de vraag of de inperking zag op de afwezigheid van iedere rechtvaardigingsgrond, dan wel slechts op bekendmakingsplichten die met het bekleden van het ambt of het beroep samenhangen. Volgens Noyon/Langemeijer & Remmelink verdient deze laatste uitleg de voorkeur. In die voorstelling zou bijvoorbeeld een buiten het normale beeld vallende “incidentele” schending op ambtelijk bevel of in een noodtoestand-situatie nog wel als een schending moeten worden opgevat en zou de bevrijding in toepassing van een rechtvaardigingsgrond bestaan. [29]
“behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit”; in zoverre speelt die inperking geen rol meer. Een ruimere opvatting brengt onder die inperking weliswaar iedere rechtvaardigingsgrond, maar ook in zoverre lijkt die inperking met het oog op de bekendmaking door Liander van haar klantgegevens aan Nuon CCC geen rol te spelen. Van een rechtvaardiging van die bekendmaking in de strikte zin van het woord is geen sprake.
4.Schuld
NJ1954, 378 en die naar het geval dat in die zaak aan de orde was, plegen te worden aangeduid als ‘ijzerdraadcriteria’ - weliswaar zijn ontwikkeld met het oog op het functionele daderschap van een natuurlijke persoon (dus met het oog op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon voor een gedraging van een andere natuurlijke persoon), maar dat zij in voorkomende gevallen tevens kunnen fungeren als maatstaven voor de toerekening van een gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon (vgl. HR 14 januari 1992, NJ 1992, 413).”
geen enkel verwijtkan worden gemaakt.
“door de verdachte alle maatregelen zijn genomen die redelijkerwijze van haar konden worden gevergd ten einde te voorkomen dat in strijd met de te dezen overschreden voorschriften werd gehandeld.” [38]
“Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.”Uit de memorie van toelichting bij de Vierde tranche Awb blijkt dat daarbij het strafrechtelijke gedachtegoed wordt gevolgd. Voor de volledigheid citeer ik de toelichting op het genoemde artikel (toen nog artikel 5.4.1.2): [40]
5.Medeplegen
“de medeplichtige slechts een ondergeschikt aandeel in het delict heeft: hij helpt slechts de eigenlijke dader.”Het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid is in het bestuursrecht van belang, vooral omdat de figuur van medeplichtigheid in de Awb niet is overgenomen (evenmin als de figuur van het doen plegen en van uitlokking) [47] en een medeplichtige bestuurlijk niet kan worden beboet. [48] Het begrip medeplegen dient in het bestuursrecht overeenkomstig de strafrechtelijke jurisprudentie over dit begrip te worden uitgelegd. [49]
6.Beoordeling
mogelijkheidhadden van directe inzage in vertrouwelijke gegevens van klanten van Liander door middel van een autorisatie voor het geautomatiseerde klantsysteem SAP-PLB van Nuon CCC (zie in het bijzonder het primaire besluit onder 65 en 71). ACM heeft aan het opleggen van een bestuurlijke boete aan Liander
nietten grondslag gelegd dat de betrokken medewerkers van Nuon Sales daadwerkelijk hebben kennisgenomen van de gegevens met betrekking tot aangeslotenen van Liander (niet tevens Nuon-klanten) die zij met gebruikmaking van de hun verleende autorisaties hadden kunnen inzien. Of de betrokken medewerkers van Nuon Sales ook daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van de gegevens waartoe zij toegang hadden of daarvan zelfs maar hebben kennisgenomen, is volgens ACM voor het constateren van de overtreding niet relevant (zie het primaire besluit onder 51 en 64, alsmede het verweerschrift van ACM onder 64).
bekendmakingvan de geheim te houden gegevens veronderstelt. Voorts kwam (onder 3.17) al aan de orde dat het begrip bekendmaken strikt en minder strikt kan worden opgevat. Zo wordt in het kader van artikel 273a Sr wel aangenomen dat van het bekendmaken van een brief ook sprake kan zijn als de geheimhouder die brief aan een derde
ter inzagegeeft (die brief aan een derde laat lezen), zonder dat vaststaat dat de betrokken derde de inhoud van de brief daadwerkelijk leest. Daarbij wordt erop gewezen dat ook een schriftelijke mededeling een bekendmaking zal impliceren (zie voetnoot 20). Naar mijn mening kunnen echter niet alle gevallen waarin de geheimhouder, in het bijzonder door een gebrek aan zorg, (culpoos) een
mogelijkheidtot kennisname van de geheim te houden gegevens heeft gecreëerd (of heeft laten voortbestaan), met een bekendmaking worden gelijkgesteld. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of van een bekendmaking kan worden gesproken, dan wel slechts sprake is van een te laag beveiligingsniveau, dat de wetgever in bepaalde gevallen als zodanig heeft gesanctioneerd.
misbruikvan
“Liander only”-gegevens door Nuon Sales niet is gebleken. Anders dan de genoemde partijen wel hebben betoogd, meen ik dat misbruik van de bedoelde gegevens als zodanig geen voorwaarde is voor het aannemen van een schending van de geheimhoudingsplicht van artikel 79, eerste lid, E-wet en artikel 37, eerste lid, Gaswet. Weliswaar is aannemelijk dat de aan die wetsartikelen ten grondslag liggende bepalingen inzake de vertrouwelijkheid van de energierichtlijnen ertoe strekken commercieel misbruik van de betrokken gegevens te voorkomen en een
level playing fieldin de energiesector te creëren, maar dat betekent niet dat iedere schending van de geheimhoudingsplicht met een dergelijk misbruik gepaard behoeft te gaan. Dat is naar mijn mening zo evident, dat een prejudiciële verwijzing ter verduidelijking van de geheimhoudingsbepalingen in de energierichtlijnen niet noodzakelijk is. Waar de energierichtlijnen misbruik van de bedoelde gegevens beogen te voorkomen, meen ik dat daarin wél een argument kan worden gevonden om het begrip bekendmaking niet al te zeer op te rekken. De ratio van de bepalingen van de energierichtlijnen over het eerbiedigen van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige gegevens komt immers pas in het geding, op het moment dat leveringsbedrijven zich de betrokken gegevens daadwerkelijk eigen hebben gemaakt en misbruik van die gegevens dreigt.
“om maatregelen te nemen die zijn gericht op het geheim houden van haar klantgegevens. Wanneer Liander haar klantgegevens aan een derde ter beschikking stelt in het kader van een uitbesteding van administratieve processen, moet Liander er zorg voor dragen dat deze derde maatregelen neemt om te zorgen dat deze gegevens ten opzichte van onbevoegden geheim worden gehouden en niet worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven”(besluit onder 55).
nietter zake hoe dat resultaat (al dan niet dankzij passende en voldoende maatregelen) wordt bereikt (in die zin ook het verweerschrift van ACM onder 53:
“De manier waarop dit(het geheimhouden van de gegevens; LK)
gebeurt, is niet relevant, het gaat om het resultaat.”, alsmede de pleitaantekeningen van ACM van 2 december 2014 onder 21:
“Hoe de netbeheerder daarvoor(geheimhouding; LK)
zorgt, doet er niet toe. Als hij er maar voor zorgt.”). Overigens heeft ACM zelf ter zitting van 2 december 2014 een onderscheid tussen resultaatsverplichtingen en zorgplichten gesuggereerd en daarbij op de doorgaans expliciete uitwerking van zorgplichten door de wetgever gewezen: [66]
nietkan worden afgeleid dat Liander, in aanvulling op de in haar relatie met Nuon CCC genomen maatregelen om de geheimhouding van haar vertrouwelijke klantgegevens te waarborgen, was gehouden nadere maatregelen te treffen, specifiek met het oog op een functionele scheiding binnen Nuon CCC, vraagt het minst genomen om een nadere motivering waarom uit die algemene bewoordingen dan
wélzou kunnen worden afgeleid dat Liander nadere maatregelen had moeten nemen, specifiek met het oog op autorisaties voor het door Nuon CCC gebruikte klantsysteem. Dat er, uit oogpunt van risicomanagement, een relevant verschil bestaat tussen de situatie dat medewerkers van Nuon CCC met commerciële verkooptargets voor Nuon Sales over vertrouwelijke gegevens van de klanten van Liander kunnen beschikken en de situatie dat medewerkers van Nuon Sales zelf (mogelijk zonder dat te weten) de mogelijkheid hebben zulke gegevens in te zien, acht ik niet evident. ACM heeft de eerstbedoelde situatie, zonder een overtreding van Liander aan te nemen,
“zeer onwenselijk en onverenigbaar (...) met artikel 79, eerste lid, van de E-wet en artikel 37, eerste lid, van de Gaswet”geacht en om die reden een bindende aanwijzing aan Liander opgelegd. [67]
lex certa-regel. [68]
Customer Operations Performance Center)-certificering van Nuon CCC en de daaraan verbonden controles door de certificerende instellingen; de ISO 9001-certificering was door Liander (in artikel 3 van Pro de dienstverleningsovereenkomst) ook contractueel verplicht gesteld. [74]
foutzou maken. Ook ACM is kennelijk van oordeel dat een fout (de gedraging) zoals die van Nuon IT niet kan worden voorkomen. Aan het proces-verbaal van de zitting van 27 maart 2014 ontleen ik het navolgende citaat:
bekendmakingte buiten gaat.
bekendmakingvan de ingevolge artikel 79, eerste lid, E-wet en artikel 37, eerste lid, Gaswet geheim te houden gegevens als een
toerekeningvan die bekendmaking aan Liander wordt aangenomen. Naar mijn mening bieden hooguit de ijzerdraadcriteria ruimte voor een toerekening aan Liander; dat betekent dat toerekening vooronderstelt dat Liander niet de zorg heeft betracht die met het oog op de voorkoming van de bekendmaking in redelijkheid van haar kon worden gevergd. Als het oordeel in laatstbedoelde zin moet luiden, leidt dat oordeel niet alleen tot toerekening aan Liander, maar sluit het naar mijn mening ook afwezigheid van
alleschuld van Liander uit.
alleschuld niet zou slagen, neemt niet weg dat, bij een overtreding en een toerekening aan Liander zoals hiervoor bedoeld, wel degelijk het nodige op de verwijtbaarheid valt af te dingen. Zo heeft Liander (ook volgens ACM) wel degelijk (voorzorgs)maatregelen getroffen en is de bekendmaking terug te voeren op goeddeels abusievelijk door een derde verleende autorisaties. Aan de verwijtbaarheid van een eventuele overtreding lijkt mij voorts af te doen dat de wetgever uitbesteding van de administratie heeft toegestaan zonder specifieke voorzorgsmaatregelen te verlangen en dat (ondanks de door DTe geuite zorg over uitbesteding van de administratie van netbeheerders [77] ) specifieke voorzorgsmaatregelen evenmin zijn verlangd toen het splitsingsplan van Liander (dat volgens Liander
“uitgebreide beschrijvingen van de administratieve processen, de IT-processen en de verdeling van verantwoordelijkheden tussen Nuon CCC en Liander en de tussen hen geldende overeenkomsten tot instandhouding van een shared service center (bevat)” [78] ) achtereenvolgens door ACM en de minister werd beoordeeld en de minister daarop een aanwijzing gaf, die op het punt van de geheimhouding echter géén betrekking had. [79]
nietin de weg behoeft te staan aan een straf die aan de mate van schuld is gerelateerd. Dat onbevoegden daadwerkelijk van de geheim te houden gegevens hebben kennisgenomen, laat staan dat - in strijd met de ratio van de energierichtlijnen waarin de betrokken geheimhoudingsplichten hun grond vinden - misbruik van die gegevens is gemaakt, is niet vastgesteld.
van een bepaald strafbaar feit. Zoals De Hullu naar mijn mening overtuigend heeft aangetoond, moet een tot medeplegen leidende samenwerking tussen partijen wel degelijk op de delictsgedraging van het grondfeit (in casu de verlening van de autorisaties en de mogelijk daarin gelegen bekendmaking) zijn gericht. [81] De Hullu is zich bewust dat dit laatste bijna automatisch een opzetvereiste op de delictsgedraging impliceert, maar meent dat de eis van een bewuste samenwerking daarop misschien ook wel neerkomt. [82]
“De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.
”In dat verband heeft de Hoge Raad ook van
“een voldoende significante of wezenlijke bijdrage”gesproken. [83] Welke bijdrage Nuon CCC aan de volgens ACM door Liander gepleegde overtreding heeft geleverd, wordt uit het besluit niet duidelijk. In het besluit (onder 77) wordt benadrukt dat Nuon CCC zich had verplicht mede zorg te dragen voor de waarborging van de vertrouwelijkheid van de klantgegevens van Liander. Daarmee is echter nog niet gegeven dat Nuon CCC aan een (volgens ACM) in het treffen van onvoldoende voorzorgsmaatregelen bestaande schending van de geheimhoudingsplicht
door Lianderook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Voorts wordt in het besluit (onder 79) geconstateerd dat het in het vermogen van Nuon CCC lag om de overtreding te beëindigen, maar dat Nuon CCC dit heeft nagelaten. Ook daarmee is niet gegeven dat Nuon CCC een wezenlijke bijdrage aan het
plegenvan die overtreding door Liander heeft geleverd.
“een voldoende nauwe samenwerking”) zouden kunnen dienen. Waar de overtreding in de visie van ACM bestaat uit een niet-geheimhouden als gevolg van het treffen van onvoldoende voorzorgsmaatregelen, zou de gedachtegang kunnen zijn dat zowel Liander als Nuon CCC daarvoor aansprakelijk zijn, nu zij beiden tot het treffen van voldoende voorzorgsmaatregelen waren gehouden, maar beiden in die gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn tekortgeschoten. Nog daargelaten dat in het tot Nuon CCC gerichte besluit een analyse van de exacte betrekkingen tussen Nuon CCC en Nuon IT (alsmede Nuon Sales) en van de daarin al dan niet geldende waarborgen met betrekking tot de vertrouwelijkheid van de klantgegevens van Liander ontbreekt en nog daargelaten dat op Nuon CCC niet de wettelijke geheimhoudingsplicht van artikel 79, eerste lid, E-wet en artikel 37, eerste lid, Gaswet, maar de contractueel door Liander bedongen geheimhoudingsplichten rustten, [85] geldt als bezwaar tegen de veronderstelde gedachtegang dat schending van een geheimhoudingsplicht mijns inziens geen omissiedelict is, maar een bekendmaking van de geheim te houden gegevens verlangt (zie hiervóór onder 6.4). Als de verlening van de litigieuze autorisaties al een aan Liander toe te rekenen bekendmaking vormt, zal het bij de beoordeling van een eventueel medeplegen door Nuon CCC aankomen op de vraag of en zo ja, welke (significante of wezenlijke) bijdrage Nuon CCC aan die bekendmaking heeft geleverd.