ECLI:NL:HR:1994:AA2942
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Wildeboer
- Urlings
- Zuurmond
- Herrmann
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslag inkomstenbelasting en toepassing gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende was in 1986 als arbeidsdeskundige in dienst bij A te Q en gebruikte een eigen auto voor zijn werkzaamheden. A hanteerde een autokostenregeling waarbij variabele kosten werden vergoed via een budgetsysteem, waarbij een bedrag wegens privégebruik werd verrekend. De Inspecteur legde aanvankelijk een aanslag op met aftrek van dit bedrag, maar na ontvangst van budget-overzichten stelde hij dat aftrek niet mogelijk was en legde een navorderingsaanslag op.
Andere werknemers van A met dezelfde regeling kregen wel aftrek toegestaan en geen navorderingsaanslag opgelegd, wat aanleiding gaf tot beroep bij het Hof. Het Hof vernietigde de navorderingsaanslag wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De Hoge Raad oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel ook geldt wanneer de afwijkende behandeling voortkomt uit fouten van de Inspecteur en dat het hof ten onrechte de meerderheidsregel toepaste zonder het geval van belanghebbende als een juist toegepaste wet te beschouwen. Daarom wordt het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond verklaard en de navorderingsaanslag gehandhaafd.
De Hoge Raad wijst een veroordeling in proceskosten af en vernietigt het hofarrest behalve het onderdeel over griffierecht. Dit arrest bevestigt dat het gelijkheidsbeginsel niet kan leiden tot vernietiging van een navorderingsaanslag indien de afwijkende gevallen het gevolg zijn van fouten die niet meer hersteld kunnen worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en handhaaft de navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1986.