ECLI:NL:GHAMS:2020:1769
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering medewerking DNA-onderzoek wegens prevalerend privacybelang potentiële vader
In deze civiele zaak staat de vordering centraal van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen mee te werken aan DNA-onderzoek om zijn biologische vaderschap vast te stellen. De rechtbank had dit toegewezen, waarbij het belang van [geïntimeerde] om zijn afstamming te kennen zwaarder werd geacht dan het belang van [appellant] om dit te verbergen.
Het hof overweegt dat hoewel het recht van het kind om te weten van wie het afstamt in beginsel prevaleert boven het recht van de potentiële vader op privacy, deze belangenafweging niet absoluut is. In dit geval weegt het belang van [appellant], die op hoge leeftijd is en lijdt aan een reactieve depressieve stoornis door de procedure, zwaarder dan het belang van [geïntimeerde].
[geïntimeerde] wist al decennia dat [appellant] zijn biologische vader is en streeft geen contact na. Zijn belang is vooral het wegnemen van onzekerheid door de ontkenning van [appellant]. Het hof acht dit belang onvoldoende zwaar om inbreuk te maken op de privacy en lichamelijke integriteit van [appellant].
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering af. Tevens worden de kosten van het geding aan [geïntimeerde] opgelegd en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vordering tot medewerking aan DNA-onderzoek wordt afgewezen vanwege het prevalerende privacybelang van de potentiële vader.