Uitspraak
[X] N.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 3 oktober 1990 betreffende de haar voor het jaar 1981 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een naar Antilliaans recht opgerichte naamloze vennootschap met feitelijke vestiging in Nederland, werd voor 1981 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. De Inspecteur handhaafde deze na bezwaar, en het Hof bevestigde dit oordeel. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Hof.
De kernvraag was of een naar Antilliaans recht opgerichte dochtervennootschap kon worden opgenomen in een fiscale eenheid met een Nederlandse moedervennootschap op grond van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het Hof had geoordeeld dat alleen vennootschappen naar Nederlands recht in aanmerking komen, wat de Hoge Raad grotendeels bevestigde, maar met een belangrijke nuancering.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel de wetstekst en parlementaire geschiedenis wijzen op een beperking tot Nederlandse vennootschappen, de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) en internationale verdragen discriminatie op grond van rechtsvorm en vestigingsplaats verbieden. De kenmerken van de Antilliaanse vennootschap komen voldoende overeen met die van een Nederlandse naamloze vennootschap, zodat uitsluiting niet gerechtvaardigd is.
Echter, de opname in de fiscale eenheid vereist een expliciete beslissing van de Minister van Financiën op een daartoe gedaan verzoek. Omdat deze beslissing ontbrak, vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het Hof-arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling waarbij de Minister van Financiën een beslissing moet nemen over de fiscale eenheid.