Conclusie
Derde Kamer A
Het Hof heeft belanghebbendes standpunt verworpen en het gelijk aan de zijde van de Inspecteur geoordeeld.
Het door belanghebbende ingediende beroepschrift in cassatie behelst één primair en twee subsidiaire cassatiemiddelen. Belanghebbende heeft haar standpunt doen bepleiten door mr. L. F. van Kalmthout, advocaat te Rotterdam.
De Staatssecretaris heeft volstaan met de indiening van een cassatievertoogschrift.
Evenzo Hof 's-Gravenhage 17 januari 1990, nr. 3940/87 M II, blijkens aantekening 6 op artikel 15 Vakstudie Pro Vennootschapsbelasting.
In dit verband verdienen de navolgende in de uitspraak a quo opgenomen, tussen partijen vaststaande feiten aandacht:
2.9. Ter zitting hebben proces-partijen eenparig verklaard dat de fiscale voeging tot stand zou zijn gekomen indien belanghebbende naar Nederlands recht zou zijn opgericht".
Het eerste lid van deze bepaling luidt als volgt:
In genoemd arrest heeft de Hoge Raad de vraag of de rechter de wet mag toetsen aan het Statuut voor het Koninkrijk ontkennend beantwoord.
In zijn conclusie voor arrest HR 4 april 1990, BNB 1990/156, heeft mijn ambtgenoot Van Soest als zijn opvatting te kennen gegeven dat het niet anders is als de toetsingsvraag betrekking heeft op een Rijkswet in plaats van op het Statuut.
Ik sloot mij hierbij aan in onderdeel 13 van de conclusie die ik nam in de zaak bij uw Raad aanhangig onder nr. 27.252, maar liet hierop volgen:
partiëleuitwerking heeft gegeven - te weten op het gebied van de belastingen en de daarmee verband houdende verplichtingen - van de hem in art. 49 van Pro het Statuut gedelegeerde bevoegdheid" (pleitnota blz. 4).
De tweede vraag luidt of het de Nederlandse rechter geoorloofd is de gewone wet te toetsen aan de Rijkswet, c.q. het Statuut. Op een vergelijkbare vraag tijdens de behandeling van het wetsontwerp tot aanvaarding van het Statuut heeft de regering in 1954 geantwoord, dat naar haar oordeel zulk een toetsing mogelijk was (kamerstukken II 1953/54, 3517, nr. 7, blz. 5). Voor dit oordeel werden destijds geen argumenten aangevoerd.
Evenzo de geachte pleiter voor belanghebbende in zijn pleitnota onder 2.3, met een beroep op Wattel/Martens, Dividendbelasting, blz. 116.
Weliswaar ben ik met belanghebbende van mening dat het Hof de verenigbaarheid van artikel 15 lid 1 Wet Pro Vpb. '69 met artikel 1 lid 1 BRK Pro had dienen te onderzoeken, maar nu het Hof blijkens de rechtsoverwegingen 5.5 t/m 5.7 artikel 15 voornoemd Pro wel getoetst heeft aan de artikelen 7 EEG-verdrag en 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR, ook Bupo genaamd) en daarbij geen andere maatstaven heeft gebruikt dan het geval zou zijn geweest indien wel tot toetsing aan artikel 1 lid 1 BRK Pro was overgegaan, komt het belang aan het door belanghebbende voorgestelde middel te ontbreken.
Deze ongelijke behandeling brengt het Hof allereerst in verband met wat de Inspecteur in zijn vertoogschrift voor het Hof onder woorden heeft gebracht:
De geachte pleiter voor belanghebbende haakt hierop in als hij in zijn pleitnota als volgt betoogt:
Beperken wij ons tot de consequenties met betrekking tot eventuele buitenlandse verliezen, dan valt echter te wijzen op het grensverleggend effect van arrest HR 29 juni 1988, BNB 1988/331. Kennelijk vormde de problematiek van de buitenlandse verliezen voor uw Raad geen beletsel om de fiscale eenheid over de grenzen toe te staan, ofschoon het toch niet denkbeeldig is dat een zodanige fiscale eenheid over de grenzen ertoe zou leiden dat - zoals De Vries/Sillevis het uitdrukken - Nederland als vangnet voor buitenlandse going-concernverliezen zou gaan dienen. Vgl. deze auteurs in Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting) 2.18.B, blz. 466f.
De mogelijkheid om naar believen van de figuur van de fiscale eenheid gebruik te maken, werkt een zodanig éénrichtingsverkeer in de hand. Vgl. de onderdelen 15 en 16 van mijn conclusie voor arrest HR 6 november 1991, BNB 1992/97 m. nt. Slot.
Maar dat in het thans voorliggende geval het fenomeen van de buitenlandse verliezen een struikelblok zou moeten vormen, is niet goed in te zien.
Wat zich in de onderhavige cassatieprocedure namelijk aandient is immers - Nobel t.a.p. wees reeds daarop - niets anders dan een spiegelbeeld van het geval berecht in BNB 1988/331.
Beoogd wordt een fiscale eenheid tot stand te brengen tussen twee
binnenlandsebelastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting.
In de pleitnota van de geachte pleiter voor belanghebbende worden enkele relevante overwegingen uit het arrest geciteerd.
28. Au vu de ce qui précède il y a lieu d' admettre que, dans le domaine des assurances contre la vieillesse et le décès, des dispositions telles que celles de la loi belge en cause sont justifiées par la nécessité de garantir la cohérence du régime fiscal dans lequel elles s'insérent et que, dès lors, de telles dispositions ne sont pas contraires à l'article 48 du traité".
rücksichtslozetelichtbevinding van nationale fiscale belangen als rechtvaardiging voor inbreuken op direct werkende Verdragsvrijheden. In het bekende
Avoir-fiscal-arrest verwierp het Hof zonder veel omhaal het (Franse) nationale fiscale belang, bij voorkoming van belastingontwijking als rechtvaardiging voor een inbreuk op de vrijheid van vestiging (art. 52-58 EEG). Op het Hof maakte destijds een beroep op het risico van belastingontwijking geen indruk, evenmin als het argument dat de toekenning van een
avoir fiscalaan een niet-ingezetene afhankelijk behoort te zijn van reciproke toekenning van een soortgelijk belastingverdragsvoordeel aan Frankrijk door het land van vestiging van die niet-ingezetene, hoewel dat argument toch lijkt op het criterium van 'samenhangwaarborging' dat het Hof thans hanteert in de Bachmann-zaak. Erkend moet wel worden (zie punt 26 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) dat het in het
Avoir-fiscal-arrest om een
directediscriminatie ging (anders dan in de Bachmann-zaak). En directe discriminatie is Europeesrechtelijk in beginsel altijd mis. Daarvoor kunnen in het kader van het vestigingsrecht alleen de zeer beperkte en limitatief opgesomde rechtvaardigingsgronden van art. 56 EEG Pro aangevoerd worden. Bovendien was het HvJ EG in de Avoir fiscal-zaak zeker niet overtuigd van het werkelijk bestaan van het risico van belastingontwijking. Maar ook in de eerder genoemde zaak
Biehl, waarin het net als in
Bachmannom indirecte discriminatie ging, was het Hof weinig toeschietelijk ten aanzien van nationale fiscale belangen en anti-misbruik-argumenten" (blz. 864).
Dat dit geen argument mag zijn om regelingen die in strijd zijn met een verdrag in te voeren c.q. te handhaven, moet aan Feteris t.a.p. blz. 1135, worden toegegeven.
Nederlandsrechtelijkevorm moet bezitten om deel te kunnen uitmaken van een fiscale eenheid. De strijd die de nationaliteitseis in art. 15 oplevert Pro met een
verdragsbepaling inzake nationaliteits-non-discriminatie, betekent overigens nog niet dat deze eis in art. 15 Wet Pro Vpb. 1969 nietig zou zijn, omdat de werking van een belastingverdrag zich beperkt tot verhoudingen tussen Nederland en de desbetreffende andere staat. De BRK daarentegen werkt,...., algemeen en laat daarom geen ruimte voor toepassing voor een naar nationaliteit discriminerende nationale regeling.