ECLI:NL:PHR:1996:AA1784
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale eenheid en verliesverrekening bij buitenlandse dochter volgens Nederlandse vennootschapsbelasting en verdragsrecht
De zaak betreft een geschil over de fiscale behandeling van het verlies van een in Ierland gevestigde dochtermaatschappij (B) binnen een fiscale eenheid met de Nederlandse moedervennootschap (X B.V.). De Hoge Raad bevestigt dat op grond van artikel 2, lid 4, en artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de buitenlandse dochter wordt geacht in Nederland gevestigd te zijn voor de toepassing van de wet, zodat zij fiscaal opgaat in de moeder.
Het hof had het geschil ten gunste van de belanghebbende beslecht door het verlies van de dochter als negatieve component van de winst van de moeder te erkennen. De staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak, stellende dat het verlies van de buitenlandse dochter niet in Nederland verrekend mocht worden vanwege verdragsrechtelijke beperkingen.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de fiscale eenheid ertoe leidt dat de dochter als vaste inrichting van de moeder wordt beschouwd, waardoor haar verliezen bij de moeder kunnen worden verrekend. Dit oordeel strookt met de nationale wetgeving en verdragsrecht, waarbij de moeder als belastingplichtige wordt aangemerkt en het verlies van de buitenlandse vaste inrichting in aanmerking kan worden genomen.
De Hoge Raad benadrukte dat de fictie van vestiging in Nederland voor de toepassing van de wet en verdragsrecht geldt, en dat de moeder voor de toepassing van het belastingverdrag als inwoner van Nederland wordt beschouwd. Het arrest bevestigt dat de fiscale eenheid grensoverschrijdend kan zijn en dat verliezen van buitenlandse dochters binnen de fiscale eenheid compensabel zijn, ondanks mogelijke dubbele woonplaats van de dochter.
Het arrest heeft belangrijke gevolgen voor de fiscale behandeling van grensoverschrijdende fiscale eenheden en bevestigt de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting en verdragsrecht op dergelijke structuren, waarbij de moedermaatschappij als belastingplichtige en verdragssubject fungeert.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen; het verlies van de buitenlandse dochter mag binnen de fiscale eenheid bij de winst van de Nederlandse moeder worden verrekend.