ECLI:NL:HR:1995:AA1508

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30790
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Urlings
  • C.H.M. Jansen
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening woonforensenbelastingArt. 275 Gemeentewet (oud)Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling woonforensenbelasting op woonschip als gemeubileerde woning

Belanghebbende kreeg voor 1988 een aanslag woonforensenbelasting opgelegd door de gemeente Boarnsterhim omdat hij zonder hoofdverblijf in de gemeente een gemeubileerde woning beschikbaar hield. Na bezwaar en beroep bij verschillende instanties werd het geschil uiteindelijk aan de Hoge Raad voorgelegd.

Het Hof oordeelde dat het woonschip van belanghebbende als gemeubileerde woning moest worden aangemerkt, geschikt en bestemd voor duurzame menselijke bewoning, ook al ontbrak adequate verwarming. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat dit geen onjuiste interpretatie van de gemeentelijke verordening en de toenmalige Gemeentewet betrof.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het arrest werd op 8 november 1995 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt verworpen en de aanslag woonforensenbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 oktober 1994 betreffende de aan hem voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente Boarnsterhim.
1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 ter zake van het zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of zijn gezin beschikbaar houden van een gemeubileerde woning, een aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente Boarnsterhim opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Boarnsterhim is gehandhaafd.
2. Tot verwijzing leidend geding Belanghebbende is van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders in beroep gekomen bij het Ge rechtshof te Leeuwarden. De uitspraak van dit Hof van 2 april 1993 is op het beroep van Burgemeester en Wethouders bij arrest van de Hoge Raad van 2 maart 1994, nr. 29.642, BNB 1994/115, vernietigd met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.
3. Geding na verwijzing Het Gerechtshof te Arnhem - verder het Hof - heeft de uitspraak van Burgemeester en Wethouders bevestigd.
4. Geding in cassatie Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie aangevoerd. Burgemeester en Wethouders hebben een vertoogschrift ingediend.
5. Beoordeling van het middel 5.1. Ingevolge artikel 1 van Pro de Verordening woonforensenbelasting wordt in de gemeente Boarnsterhim onder de naam van woonforensenbelasting een directe belasting geheven van natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. 5.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes woonschip in het onderhavige jaar was aan te merken als een gemeubileerde woning welke op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt was om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor menselijke bewoning te dienen en dat daaraan niet af doet belanghebbendes stelling dat hij niet over een adequate verwarming beschikte. 5.3. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in artikel 1 van Pro de Verordening en in artikel 275 van Pro de toenmalige Gemeentewet en kan voor het overige als zijnde van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het middel faalt derhalve.
6. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
7. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 8 november 1995 vastgesteld door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren C.H.M. Jansen en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud en op die datum in het openbaar uitgesproken.