ECLI:NL:HR:1995:AA1554
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt directe aftrek exploratiekosten bij onzekerheid economische winbaarheid olieveld
Belanghebbende, een houdstermaatschappij van dochtermaatschappijen die zich bezighouden met olie- en gaswinning, bracht in 1982 kosten van exploratieboringen direct ten laste van de winst. De Inspecteur corrigeerde dit, stellende dat bij een succesvol aangetoond economisch winbaar reservoir de kosten geactiveerd moeten worden en gespreid over de jaren van winning.
Het Hof oordeelde dat ultimo 1982 nog niet vaststond dat het met boring G-1 aangeboorde veld economisch winbaar was, waardoor directe aftrek van de kosten gerechtvaardigd was. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat goed koopmansgebruik niet vereist dat kosten van exploratieboringen worden geactiveerd zolang onzekerheid over economische winbaarheid bestaat. Ook het subsidiaire standpunt van activering van evaluatieboring G-2 faalt. De Hoge Raad wijst op het voorzichtigheidsbeginsel en het feit dat exploratiekosten vaak onzeker zijn qua toekomstige baten.
De Hoge Raad wijst het beroep af en biedt belanghebbende gelegenheid zich uit te laten over proceskosten. De uitspraak bevestigt dat exploratiekosten direct aftrekbaar zijn bij onzekerheid over economische winbaarheid, ook als een winningsvergunning is aangevraagd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat exploratiekosten direct ten laste van de winst mogen worden gebracht zolang niet vaststaat dat het olieveld economisch winbaar is.