Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1995:AA1670

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 augustus 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30.416
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 26 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping beroep tegen naheffingsaanslag omzetbelasting hommelkolonies

Belanghebbende, een BV die biologische gewasbescherming verzorgt door levering van hommelkolonies aan glastuinbouwbedrijven, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het eerste halfjaar van 1992. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage handhaafde de aanslag en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën stelden cassatieberoep in tegen dit vonnis.

De kern van het geschil betrof de uitleg van post a4, letter b, van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968, en de vraag of de levering van hommels onder het verlaagde tarief van artikel 9, lid 2, letter a, viel. Het Hof oordeelde dat hommels niet als dieren bestemd voor de voortbrenging of productie van voedingsmiddelen kunnen worden aangemerkt, zodat het verlaagde tarief niet van toepassing was.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees op de wetsgeschiedenis die uitsluitend dieren bedoelt die direct voedsel voortbrengen of bijdragen aan voedselproductie. Hommels hebben deze rechtstreekse bestemming niet. Ook het beroep van de Staatssecretaris tegen de proceskostenveroordeling werd verworpen, omdat artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken geen verwijtbaarheid vereist.

De Hoge Raad wees de beroepen af en legde een griffierecht van ƒ 300 op aan de Staatssecretaris. Daarmee bleef de naheffingsaanslag ongewijzigd en werd de proceskostenveroordeling gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting over hommelkolonies.

Uitspraak

gewezen op de beroepen in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z en van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juni 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 30 juni 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 12,--, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die aanslag, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, (tekst vóór 1 januari 1994) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de aanslag gehandhaafd en heeft daarbij tevens de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- uit hoofde van kosten voor haar gemachtigde, zulks onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer het cassatieberoep van de wederpartij bij vertoogschrift bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft omtrent het beroep in cassatie van de Staatssecretaris op 14 februari 1995 geconcludeerd tot verwerping van diens beroep.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met biologische gewasbescherming en met natuurlijke bestuiving. Zij produceert daarbij hommels, die harerzijds worden geleverd aan glastuinbouwbedrijven voor de bestuiving van tomaten, paprika's, fruit en dergelijke. Zij levert daartoe zogenoemde hommelkolonies in kasten, met medelevering van flesjes suikerwater, welke kasten dan worden geplaatst in de kassen waarin genoemde cultuurgewassen worden geteeld.
3.2. Voor het Hof was allereerst in geschil de betekenis van post a4, letter b, van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals deze post met ingang van 1 januari 1989 geldt. Wat dit betreft streden partijen over de vraag of deze post ook dieren als de onderhavige hommels omvat en of op grond daarvan de levering van zulke hommels ingevolge artikel 9, lid 2, letter a, van genoemde wet onder het verlaagde tarief valt. Het Hof heeft bedoelde vraag ontkennend beantwoord. Belanghebbendes cassatiemiddel is hiertegen gericht.
3.3. Volgens de tekst van genoemde post is in casu beslissend of de hommels kunnen worden aangemerkt als dieren die kennelijk zijn bestemd voor de voortbrenging of de produktie van voedingsmiddelen als bedoeld in post a1 van dezelfde tabel. De door het Hof vermelde wetsgeschiedenis leidt tot de gevolgtrekking dat, voor zover thans van belang, de wetgever hier uitsluitend het oog had op dieren die rechtstreeks voor de voortbrenging of de produktie van voedingsmiddelen zijn bestemd doordat zij ofwel zelf onmiddellijk voedsel voortbrengen ofwel in die zin aan de produktie van voedingsmiddelen bijdragen, dat zij zelf tot voedsel dienen, welk een en ander ook in de tekst van genoemde post voldoende duidelijk tot uitdrukking komt. Een dergelijke rechtstreekse bestemming bezitten de hommels van belanghebbende echter niet. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
3.4. Het beroep van de Staatssecretaris betreft de vraag of het Hof, hoewel de Inspecteur in het gelijk werd gesteld, terecht de Inspecteur in de proceskosten heeft veroordeeld. Diens middel betoogt dat, nu aan de zijde van de Inspecteur geen enkele verwijtbaarheid werd vastgesteld, deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat daarom bedoelde proceskostenveroordeling niet in stand kan blijven.
3.5. Aangezien de in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken neergelegde mogelijkheid om de inspecteur in de proceskosten te veroordelen, door de wet niet afhankelijk is gesteld van verwijtbaarheid aan diens zijde, kan ook dit middel niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht, wat het geding in cassatie betreft, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt zowel het beroep van belanghebbende als dat van de Staatssecretaris.
Dit arrest is op 24 augustus 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300.