ECLI:NL:HR:1996:AA2014
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over proceskosten in navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1980
Belanghebbende kreeg aanvankelijk een nihil aanslag inkomstenbelasting opgelegd over 1980, gevolgd door een navorderingsaanslag op een belastbaar inkomen van ƒ 2.700.000,-- met een verhoging van 100%. De Inspecteur verminderde later de aanslag ambtshalve tot ƒ 655.480,--, waarbij de verhoging werd gehandhaafd. Het hof handhaafde de vermindering maar schafte de verhoging af.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie tegen het hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet ambtshalve hoefde te onderzoeken of de navorderingsbevoegdheid was vervallen wegens termijnoverschrijding. Ook verwierp de Hoge Raad de klachten over het EVRM omdat de belastingheffing geen civielrechtelijke of strafrechtelijke kwestie betrof.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof de Inspecteur ten onrechte niet in de proceskosten had veroordeeld, terwijl belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk was gesteld en vertegenwoordigd werd door een beroepsmatig gemachtigde. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het de proceskosten betreft en veroordeelde de Inspecteur en Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand en het griffierecht.
De uitspraak werd gedaan op 15 juli 1996 door de vice-president en raadsheren, waarbij tevens werd vastgesteld dat de Staat als rechtspersoon de kosten bij het hof moet vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de proceskosten betreft en veroordeelt de Inspecteur en Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand.