Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 5 juli 1995 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende was in 1991 eigenaar van een woning die in het eerste halfjaar door zijn zoon werd bewoond zonder huur, en in het tweede halfjaar tegen een huurprijs van 200 gulden per maand werd verhuurd. De Inspecteur paste het huurwaardeforfait toe over het gehele jaar. Het Hof vernietigde de aanslag deels en verlaagde het belastbaar inkomen.
In cassatie bestreed belanghebbende het toepassen van het huurwaardeforfait op grond van het beginsel van behoorlijke wetgeving en het vertrouwensbeginsel, maar deze middelen werden verworpen. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de tijdsevenredige verdeling van onderhoudskosten door het Hof onjuist was en dat de aftrekbaarheid van onderhoudskosten voor de periodes van eigen gebruik en verhuur afzonderlijk moet worden beoordeeld.
De zaak werd vernietigd en verwezen naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling, waarbij het Hof moet onderzoeken welk deel van de onderhoudskosten aan de verhuurperiode kan worden toegerekend. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor nadere beoordeling van onderhoudskosten en verhuurperiode.