ECLI:NL:HR:2021:126
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid vooruitbetaalde eigenwoningrente na overlijden belastingplichtige
Belanghebbenden maakten bezwaar tegen de afwijzing van aftrek van vooruitbetaalde eigenwoningrente over het jaar 2014, waarin de erflaatster op 4 januari overleed. De Inspecteur had het aftrekbare bedrag verminderd omdat slechts het deel tot de overlijdensdatum als aftrekbaar werd beschouwd.
Het Hof stelde dat de rente over de periode na overlijden niet aftrekbaar was omdat de schuld na overlijden geen eigenwoningschuld meer was. Het Hof zag in de wettelijke bepalingen geen afwijking van deze systematiek.
De Hoge Raad overwoog dat vooruitbetaalde rente economisch moet worden toegerekend aan de periode waarvoor deze geldt, en dat na overlijden de woning niet langer eigen woning is van de belastingplichtige. Daarom kan de rente over de periode na overlijden niet als eigenwoningrente worden aangemerkt. Echter, de wettelijke regels over temporisering van vooruitbetaalde rente (art. 3.120 lid 3 en 4 Wet IB 2001) zijn bedoeld om oneigenlijk gebruik te voorkomen en bevatten een specifieke regeling voor het jaar van overlijden. De wetgever heeft niet bedoeld om bij overlijden de toepassing van deze regels buiten werking te stellen, ook niet als de vooruitbetaling korter is dan de termijn in lid 3.
Daarom moet de vooruitbetaalde rente in één bedrag in het jaar van overlijden worden toegerekend en aftrekbaar worden gesteld. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde het vonnis van de Rechtbank, waarbij de aftrek werd toegestaan. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vooruitbetaalde eigenwoningrente wordt in één bedrag toegerekend en aftrekbaar gesteld in het jaar van overlijden.