Conclusie
1.Procesverloop
2.De feiten en het geschil
De feiten
"Vanaf heden is over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente verschuldigd van vijf procent (5%) per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling (...)”.”
3.Het geding in cassatie
implicietworden gelezen in de aanhef van artikel 3.120, lid 3, Wet IB 2001 en van diens voorganger artikel 38, lid 6, Wet IB 1964. Daarin wordt de aftrekbaarheid van de vooruitbetaalde rente immers als uitgangspunt genomen. Het enkele feit dat is vooruitbetaald, verhindert de aftrek niet. Het doel van beide artikelleden is juist om die hoofdregel voor een tweetal gevallen terug te nemen.
BNB1959/374 [23] , waarin de behandeling van een vooruitbetaling van onderhoudskosten op basis van een mondelinge overeenkomst centraal stond. In 1955 betaalde belanghebbende de vergoeding aan de tuinman over zowel 1955 en 1956. Belanghebbende wilde het gehele bedrag in 1955 aftrekken. De aftrekpost moest, voor zover deze zag op het onderhoud in 1956, worden geweigerd nu de prestatie (het onderhoud) nog niet was geleverd en geen kosten waren gemaakt welke belanghebbende verschuldigd zou zijn, aldus de Hoge Raad.
BNB1998/416 [24] . Belanghebbende had in die procedure niet aannemelijk gemaakt dat hij de vooruitbetaalde vergoeding voor kinderopvang rechtens verschuldigd was.
BNB1997/49 [27] . In die procedure heeft de Hoge Raad inzake de aftrek van onderhoudskosten geoordeeld dat aan de vraag naar het tijdstip van aftrek voorafgaat de vraag in hoeverre het gaat om voor aftrek in aanmerking komende kosten. De staatssecretaris heeft een vergelijkbare visie geuit in het Besluit eigenwoningrente ten aanzien van een woning die overgaat van box 1 naar box 3. De aftrekbaarheid van rente moet in een dergelijk geval beoordeeld worden naar de periode waarop de rente betrekking heeft, aldus de staatssecretaris. [28]