Uitspraak
5 januari 1996.
Hoge Raad
In deze zaak stond de geldigheid van een borgtochtsovereenkomst centraal, gesloten op 14 juni 1982 tussen eiser, Stingel Duitsland en Stingel Nederland. Eiser was directeur en belangrijkste aandeelhouder van Stingel Nederland, dat een schuld had aan Stingel Duitsland. Na een beslaglegging en faillissementsaanvraag werd een afbetalingsregeling getroffen waarbij eiser zich borg stelde voor de verplichtingen van Stingel Nederland.
Eiser voerde aan dat de borgtocht nietig was wegens misbruik van omstandigheden en dat Stingel Duitsland wanprestatie had gepleegd door in strijd met de overeenkomst rechtstreeks te leveren aan een derde partij. Zowel de rechtbank als het hof verwierpen het beroep op misbruik van omstandigheden en lieten bewijs toe over de vermeende wanprestatie.
Het hof oordeelde dat het voor misbruik van omstandigheden alleen aankomt op de situatie bij het aangaan van de overeenkomst, waarbij werd vastgesteld dat eiser niet in een benarde financiële positie verkeerde en zich had laten bijstaan door een raadsman. Ook werd geoordeeld dat de hoofdverbintenis niet nietig was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij eiser werd veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de borgtochtsovereenkomst blijft geldig.