Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Het principale cassatiemiddel bestrijdt vergeefs het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW Pro. Dit middel klaagt m.i. terecht over de door het hof gehanteerde toetsingsmaatstaf voor de vraag of sprake is van misbruik van die omstandigheden. Het oordeel van het hof komt er per saldo op neer dat de Gemeente misbruik van omstandigheden maakt door te handelen conform haar beleid waarin de uitgangspunten voor de berekening van de canon zijn geformuleerd. Het hof heeft echter niet geoordeeld dat deze uitgangspunten onredelijk zijn. Het heeft slechts geoordeeld dat de argumenten van de Gemeente onvoldoende zijn om af te wijken van het (deels) op andere uitgangspunten gebaseerde oordeel van de deskundige. Gegeven dat in redelijkheid verschil van mening mogelijk is over redelijke uitgangspunten voor de bepaling van een canon bij conversie, volstaat deze wijze van beoordeling m.i. niet voor een oordeel dat ziet op misbruik van omstandigheden.
Verder klaagt het principale middel m.i. vergeefs dat het hof op de voet van artikel 3:54 BW Pro het canonbedrag in de erfpachtakte heeft gewijzigd in plaats van in de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst.
2.Feiten en procesverloop
Het hof heeft de vordering van Hoveling tot (terug)betaling van door haar teveel aan de Gemeente betaalde canon van € 18.590 toegewezen. Het hof heeft de incidentele grief van Hoveling verworpen en de vordering tot betaling van schadevergoeding afgewezen. Het hof heeft de proceskosten van het principale hoger beroep gecompenseerd en Hoveling veroordeeld in de proceskosten van het incidentele hoger beroep.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1) en dat de Gemeente misbruik van deze omstandigheden heeft gemaakt (
onderdeel 2). Verder klaagt
onderdeel 3dat het hof ten onrechte met toepassing van artikel 3:54 lid 2 BW Pro de erfpachtakte heeft gewijzigd. Er is geen gebruik gemaakt van het voorbehoud in de procesinleiding om de klachten aan te vullen na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 1 juli 2021.
onderdelen 1 en 2schets ik hierna het juridisch kader. Daarna vat ik het bestreden arrest samen en bespreek ik beide onderdelen.
moetcontracteren en waarbij de inhoud van de overeenkomsten dientengevolge in belangrijke mate door de wederpartij kan worden gedicteerd. [8]
[…] / […]: [15]
onderdelen 1 en 2van het principale middel.
subonderdelen 1.1-1.3over de oordelen (in rov. 3.9.1-3.9.4) dat Hoveling de overeenkomst is aangegaan onder invloed van bijzondere omstandigheden en (in rov. 3.10 en 3.10.8) dat sprake is van causaal verband.
subonderdeel 1.1heeft het hof in zijn beoordeling ten onrechte niet betrokken de door de Gemeente gestelde omstandigheden: (a) dat Hoveling ruim voor 15 januari 2005 wist dat het erfpachtrecht op die datum zou aflopen; (b) dat Hoveling wist of behoorde te weten dat de Gemeente nadien onder meer een aanbod tot conversie kon doen en daarbij een nieuwe (aanzienlijk hogere) canon kon bedingen; (c) dat Hoveling niet gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in de AB 1937 om uiterlijk drie jaar voor het einde van het erfpachtrecht een beslissing van de Gemeente kunnen vorderen over de verlenging van de erfpacht; en (d) dat de Gemeente op grond van haar conversiebeleid een canon bedingt die is gebaseerd op de dan geldende grondwaarde.
Hieruit volgt dat de in rov. 3.9.2 vermelde omstandigheden voor Hoveling voorzienbaar waren en dat zij de mogelijkheden om te voorkomen dat zij in die omstandigheden terecht zou komen, onbenut heeft gelaten en zelf die omstandigheden heeft veroorzaakt of daaraan verwijtbaar heeft bijgedragen. Ook wist Hoveling of behoorde zij te weten wat de grondslagen zouden zijn van een aanbod van de Gemeente. Hieruit volgt of kan volgen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden en/of dat Hoveling niet door die omstandigheden is bewogen de overeenkomst met de Gemeente aan te gaan. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat deze omstandigheden niet relevant zijn heeft hij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en anders is zijn oordeel in het licht van deze essentiële stellingen van de Gemeente onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
timingvan het aanbod van de Gemeente van invloed zou zijn op de in rov. 3.9.2 bedoelde omstandigheden, die erop neerkomen dat Hoveling gebonden was aan de locatie in verband met de investeringen die zij in de opstallen had gedaan. Over het moment waarop deze investeringen zijn gedaan, is door het hof niets vastgesteld en het middel wijst niet naar stellingen van partijen op dat punt. Hoogstens volgt uit de in het subonderdeel genoemde stellingen dat een op het beleid van de Gemeente gebaseerd aanbod op een eerder moment door de Gemeente aan Hoveling zou kunnen zijn gedaan. Daaruit volgt echter niet dat de in rov. 3.9.2 bedoelde situatie wezenlijk anders zou zijn geweest. De bestreden overwegingen geven daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefden geen nadere motivering.
subonderdeel 1.2geeft het oordeel rov. 3.9.3, dat voor de vraag of in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW Pro niet relevant is dat Hoveling een professionele partij was die werd bijgestaan door professionele adviseurs, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 1.1.
in dit gevalniet afdoen aan het oordeel in rov. 3.9.2. Het subonderdeel klaagt, terecht, niet dat het oordeel van het hof op dit punt onbegrijpelijk zou zijn.
onder Adat het hof in rov. 3.9.1-3.9.4, 3.10 en 3.10.8 heeft miskend dat voor de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden en causaal verband relevant is dat Hoveling alternatieven had voor de door haar gemaakte keuze. Het hof heeft geen betekenis toegekend aan het door de Gemeente ingeroepen feit dat zij aan Hoveling varianten voor de omvang van de canon heeft voorgesteld en een afkoopsom heeft aangeboden, terwijl het hof evenmin deze niet door Hoveling gekozen alternatieven heeft verworpen. Het subonderdeel klaagt
onder Bdat het hof zo nodig ambtshalve had moeten onderzoeken of Hoveling aan haar stelplicht ter zake heeft voldaan.
onder Aaanvoert, omdat het hof gelet op het partijdebat niet gehouden was om in deze zaak in het kader van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden dan wel causaal verband te beoordelen of sprake was van (reële) alternatieven.
onder B.
onderdeel 1falen.
subonderdelen 2.1-2.6over de toetsingsmaatstaf in rov. 3.8.1-3.8.3 en het daarop voortbouwende oordeel in rov. 3.10.1-3.10.9 dat de Gemeente misbruik van omstandigheden heeft gemaakt.
Subonderdeel 2.2klaagt dat het hof, door de zojuist besproken maatstaf te hanteren, in met name rov. 3.10.2, 3.10.4 en 3.10.7-3.10.8 heeft miskend dat bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan het misbruikvereiste van artikel 3:44 lid 4 BW Pro betekenis toekomt aan alle omstandigheden van het geval die in onderling verband en samenhang te beschouwen zijn. Hierop voortbouwend klagen de
subonderdelen 2.3 en 2.4, kort gezegd, dat het hof ten onrechte het beleid van de Gemeente niet relevant heeft geacht voor de beoordeling of sprake is van misbruik van omstandigheden.
Subonderdeel 2.5klaagt dat het hof heeft miskend dat bij de beoordeling of, kort gezegd, sprake is van misbruik van omstandigheden, betekenis toekomt aan de vraag of de aannames en keuzes die ten grondslag lagen aan het aanbod van de Gemeente al dan niet (on)redelijk zijn. De Gemeente heeft betoogd dat de aannames en keuzes die ten grondslag liggen aan haar beleid en de aan Hoveling aangeboden canon niet onredelijk zijn; dat de canon die de deskundige marktconform achtte is gebaseerd op andere aannames en keuzes die het verschil in de hoogte van de canon verklaren; en dat het vaststellen van een marktconforme canon eigenlijk niet mogelijk is en geen eenstemmigheid bestaat over de wijze van taxatie van een erfpachtrecht. Het subonderdeel bevat voorts een motiveringsklacht.
subonderdeel 2.1m.i. terecht over deze maatstaf.
In een commerciële context kunnen partijen over en weer handelen op basis van louter commerciële overwegingen. De eisen die aan de overheid gesteld kunnen worden, gaan verder en kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de overheid ook rekening houdt met bepaalde algemene belangen bij het formuleren van beleid en het handelen conform dat beleid. Dit kan betekenen dat een overheid bij het formuleren van de uitgangspunten van haar beleid in bepaalde opzichten andere keuzes maakt dan een louter commercieel handelende partij. De overheid is in beginsel gebonden aan haar beleid. De maatstaf voor de beoordeling of sprake is misbruik van omstandigheden door de Gemeente dient hiermee rekening te houden, ook indien deze maatstaf wordt toegespitst op de vraag of de Gemeente een prestatie heeft bedongen die zij in redelijkheid niet had mogen bedingen of, nog meer toegespitst, op het financiële nadeel voor Hoveling.
kanzijn van misbruik van omstandigheden. [39] Maar daarmee is niet gezegd dat bij de beoordeling
ofsprake is van misbruik van omstandigheden geen rol kan spelen of de Gemeente heeft gehandeld conform haar beleid. Bij die beoordeling komt het immers aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de rechtshandeling. Hierover klagen de
subonderdelen 2.2, 2.3 en 2.4terecht.
Subonderdeel 2.5klaagt hierover naar mijn mening terecht. Ik licht dit toe.
enkele verschil in wijze van berekening en uitkomsten (…) geen grond [kan] vormen om af te wijken van de conclusies die in het deskundigenrapport van Roos worden getrokken” en “
dat de stelling (…) dat het canonpercentage in het deskundigenrapport van Roos te laag is, in het licht van de uitvoerige toelichting van Hoveling op dit punt (…), niet overtuigt.” Daarbij ecarteert het hof de relevantie van het gegeven dat de Gemeente de canon heeft berekend op basis van haar beleid. Zie rov. 3.10.4, slot, waarin het hof overweegt “
dat niet relevant is (zie hiervoor onder 3.8.3) of de canon na omzetting was opgesteld conform het gangbare beleid”.
subonderdeel 2.5terecht dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de essentiële stelling van de Gemeente dat de keuzes en aannames die ten grondslag liggen aan het gemeentelijke beleid en daarmee aan haar aanbod aan Hoveling, niet onredelijk zijn.
Subonderdeel 2.5.1klaagt terecht dat het oordeel in rov. 3.10.7 nadere motivering behoefde in het licht van de in
subonderdeel 2.5bedoelde stellingen van de Gemeente.
subonderdeel 2.5bedoelde betoog van de Gemeente, voor zover het hof dit niet aldus heeft uitgelegd dat het de strekking had dat de door haar gemaakte keuzes en gehanteerde aannames niet onredelijk zijn, zodat ook daarom geen sprake is van misbruik.
In dit betoog ligt m.i. mede de stelling besloten dat de aannames en keuzes die ten grondslag liggen aan het conversiebeleid van de Gemeente, en aan de door Hoveling aanvaarde canon, niet onredelijk zijn.
subonderdeel 2.5.2daarover terecht.
subonderdeel 2.3.1betreft de lezing van de grief 6 van de Gemeente. Aan het hof kan worden toegegeven dat grief 6 van Gemeente inhield wat het hof daarover in rov. 3.8.3 overweegt. Aan de Gemeente kan worden toegegeven dat in de toelichting op deze grief ook wordt betoogd dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van omstandigheden relevant is of de Gemeente handelt conform haar beleid. [46] In het midden kan blijven of de klacht van het subonderdeel slaagt, omdat de klacht geen behandeling behoeft.
Het slagen van
subonderdeel 2.3hangt immers niet af van de vraag of de Gemeente (ook) met grief 6 heeft bepleit dat haar beleid relevant was voor de beoordeling van eventueel misbruik van omstandigheden. Het is duidelijk dat de Gemeente iets dergelijks ook elders heeft bepleit (vgl. rov. 3.8.2 en 3.10.7) en dat hof dit standpunt heeft verworpen, althans slechts heeft beoordeeld in het licht van de in rov. 3.10.3 bedoelde maatstaf.
onderdeel 2slagen, dient na cassatie en verwijzing opnieuw beoordeeld te worden of het beroep van Hoveling op misbruik van omstandigheden slaagt. Daarbij kan het verwijzingshof, zo nodig, de in
subonderdeel 2.6bedoelde omstandigheden meewegen. Het subonderdeel behoeft daarom geen bespreking.
subonderdelen 2.1-2.5.2.
erfpachtaktemoet worden gewijzigd en Hoveling na cassatie en verwijzing de grondslag van haar vordering niet meer mag wijzigen naar de stelling dat de
overeenkomstmoet worden gewijzigd, zodat deze vordering dan niet meer toewijsbaar is. [47]
onderdeel 3dat het hof ambtshalve de rechtsgronden had kunnen aanvullen door de subsidiaire vordering op te vatten als strekkende tot wijziging van de overeenkomst.
de gevolgen van de rechtshandeling, dat wil zeggen de rechtshandeling die onder invloed van misbruik van omstandigheden werd verricht en daarom vernietigbaar is. De overeenkomstige [51] bepaling van artikel 6:230 lid 2 BW Pro spreekt over wijziging van
de gevolgen van de overeenkomstdie vernietigbaar is wegens dwaling (artikel 6:228 BW Pro) of haar voortbouwende karakter (artikel 6:229 BW Pro).
dezerechtshandeling kan worden verstaan. In dit verband maak ik drie opmerkingen.
de inhoud van de rechtshandeling te wijzigen. Deze formulering is later vervangen door de huidige bewoordingen van het artikel, omdat hiermee een iets nauwkeuriger redactie werd verkregen en tevens werd tegemoet gekomen aan kritiek van leden van de Kamercommissie die hadden voorgesteld om de woorden “de inhoud van de rechtshandeling te wijzigen" te vervangen door de woorden “de rechtsverhouding van partijen te wijzigen". [53]
rechtshandeling is.
subonderdelen 2.1-2.5.2van het principale cassatiemiddel, dient het bestreden arrest te worden vernietigd en de zaak te worden verwezen naar een ander hof ter verdere beoordeling en beslissing.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
onderdeel 1) en de proceskostenveroordeling (
onderdeel 2).
Onderdeel 1klaagt in de
subonderdelen 1.1-1.4over het oordeel in rov. 3.13.3 dat Hoveling niet aan haar stelplicht heeft voldaan:
concretefeiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit onder meer kan worden afgeleid dat als gevolg daarvan schade is geleden. Dat heeft Hoveling echter niet gedaan. Hoveling heeft niet concreet gesteld aan wie hij heeft verkocht en wat de inhoud was van de koopovereenkomst, in het bijzonder wat de koopprijs was en hoe deze tot stand is gekomen, of dat hij de afspraak met de koper heeft gemaakt dat een verlaging van de canon tot een verhoging van de koopprijs zou (moeten) leiden. Ter terechtzitting heeft Hoveling, integendeel, gesteld dat hij geen enkele afspraak met de koper daaromtrent heeft gemaakt, omdat deze niets met de onderhavige procedure te maken wilde hebben. Hoveling heeft dus, kort samengevat, onvoldoende aan zijn stelplicht voldaan, zodat aan vaststelling van enigerlei schadevergoeding niet kan worden toegekomen.”
subonderdeel 1.1stelt het hof hier te hoge eisen aan de stelplicht. Voldoende moet worden geacht dat Hoveling aannemelijk maakt dat zij door het onrechtmatig handelen van de Gemeente (mogelijk) schade heeft geleden en/of dat Hoveling ten minste minimale feiten heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat schade is of kan zijn geleden. Het hof heeft de lat hoger gelegd door te eisen dat uit
concretefeiten en omstandigheden afgeleid moet kunnen worden dat als gevolg van het onrechtmatige handelen schade is geleden en/of door te eisen dat Hoveling (reeds) bij de vordering tot vergoeding van schade concreet stelt (a) aan wie zij heeft verkocht, althans (b) wat de inhoud van de koopovereenkomst was, althans (c) wat de koopprijs was, althans (d) hoe deze koopprijs tot stand is gekomen, althans (e) of Hoveling een afspraak heeft gemaakt met de koper dat een verlaging van de canon tot een verhoging van de koopprijs zou (moeten) leiden, terwijl die koper niets met deze procedure te maken wil hebben. Volgens
subonderdeel 1.3is het oordeel onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de in het subonderdeel onder a-j bedoelde stellingen van Hoveling.
subonderdelen 1.1 en 1.3kunnen gezamenlijk behandeld worden. Zij slagen naar mijn mening niet.
subonderdeel 1.3bedoelde stellingen
a, b, d en hbetrekking. Hoveling heeft haar vordering tot schadevergoeding gebaseerd op, kort gezegd, (i) de omstandigheid dat de (verkoop)waarde van een erfpachtrecht mede wordt bepaald door de hoogte van de aan de eigenaar te betalen canon (stellingen
b en h) en heeft gesteld (ii) dat de koopprijs was afgestemd op de toenmalige hoge canon (stelling
a en d) [64] .
subonderdeel 1.3bedoelde stellingen
c, e, g, f , i en jbetrekking. Hoveling heeft gesteld dat de koper de contante waarde van het verschil tussen de beide canonbedragen zou hebben willen betalen bovenop de betaalde koopsom (stellingen
c en e). Hoveling kan dit laatste niet aantonen, omdat bij de verkoop de lagere canon nog niet bekend was en de koper niet kon aangeven wat hij dan bereid zou zijn geweest om te betalen (stelling
g). Daarom moet schade abstract worden berekend (
stelling f) op een wijze die aansluit bij het beleid van de Gemeente (stellingen
i en j). Deze stellingen zien op omvang van de schade en kunnen thans buiten beschouwing blijven.
Het is overigens mogelijk om de stellingen onder
c, e, f en gzo te lezen dat zij ook betrekking hebben op de aannemelijk van de schade. Zo gelezen, voegen zij niets toe aan de onder 4.5.1 bedoelde stellingen.
Zo is onduidelijk of de koopprijs in onderhandelingen ‘at arms length’ tussen twee niet gelieerde partijen is tot stand gekomen en wat de invloed van de canon daarop was (vgl. in rov. 3.13.3: wie was de koper, wat was de koopprijs en hoe is deze tot stand gekomen?).
Ook is niet duidelijk of de mogelijke uitkomst van de procedure van Hoveling tegen de Gemeente een rol heeft gespeeld bij de prijsvorming, zodat denkbaar is de hoogte van de canon per saldo geen doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de prijsvorming (vgl. in rov. 3.13.3: er is geen afspraak met de koper gemaakt over dat een verlaging van de canon tot een verhoging van de koopprijs zou (moeten) leiden, omdat de koper niets met de procedure te maken wilde hebben).
subonderdeel 1.4slaagt evenmin gezien het voorgaande
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel van het hof dat de proceskosten in principaal appel moeten worden gecompenseerd, omdat partijen in het principale appel over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld, onjuist is althans onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover het hof de vermeerderde eis tot schadevergoeding zou hebben toegerekend aan het principaal appel is dit onjuist althans onbegrijpelijk, omdat die vordering geen relatie heeft met het door de Gemeente ingestelde principale appel, op welke plaats in de verzetdagvaarding in hoger beroep deze vermeerderde eis ook moge zijn geplaatst. Voor de veroordeling in de proceskosten is (mede) redengevend de strekking van de eerste vier onderdelen van het dictum van het arrest, aldus de klacht.
Subonderdeel 2.3bevat een voortbouwklacht.
subonderdeel 2.2terecht dat het hof de eiswijziging in hoger beroep ten aanzien van de schadevergoedingsvordering van Hoveling, in ieder geval voor wat betreft de proceskostenveroordeling, ten onrechte heeft geschaard onder het principale appel van de Gemeente en niet onder het incidentele appel van Hoveling. De slotsom in rov. 3.15 had gelet op het voorgaande moeten zijn dat in het principaal appel de Gemeente geheel in het ongelijk is gesteld. Op grond van artikel 237 lid 1 Rv Pro in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv Pro had het hof in het principaal appel de Gemeente als geheel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal appel moeten veroordelen.
subonderdeel 2.3voor zover deze ziet op de compensatie van de proceskosten in principaal appel in de vijfde alinea van het dictum.
Subonderdeel 2.2betreft uitsluitend de vordering tot schadevergoeding. Deze vordering is door het hof afgewezen en de daartegen gericht klachten van
onderdeel 1falen. Daarom valt niet te zien dat de kostenveroordeling in incidenteel beroep anders zou zijn uitgevallen indien het hof de schadevergoedingsvordering had betrokken bij de kostenveroordeling in het incidenteel appel.
onderdeel 2.2van het incidentele cassatiemiddel slaagt evenals het daarop voortbouwende deel van
subonderdeel 2.3.