De Hoge Raad heeft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd in een strafzaak over medeplegen van het telen van hennep. De verdachte werd veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf en een geldboete. Het cassatieberoep richtte zich op twee hoofdpunten: de vermeende toezegging van niet-vervolging door de officier van justitie aan de raadsman, en de voortijdige vernietiging van inbeslaggenomen hennepplanten ondanks een verzoek tot contra-expertise.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn motivering omtrent de niet-vervolging. Het hof had moeten onderzoeken of de mededeling van niet-vervolging daadwerkelijk aan de secretaresse van de raadsman was doorgegeven en of de telefoonnotitie een juiste weergave was. Daarnaast was het hof tekortgeschoten in de beoordeling van de schending van het verdedigingsbelang door de vernietiging van de hennepplanten, aangezien dit de verdachte de mogelijkheid ontnam om een ruimere monstername te doen en aan te tonen dat de planten bestemd waren voor zaadwinning.
De Hoge Raad concludeerde dat deze motiveringsgebreken en schendingen van het verdedigingsrecht de bestreden uitspraak onhoudbaar maken. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling. De overige middelen van cassatie werden verworpen.