ECLI:NL:HR:1998:AA2414

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33107
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 18a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens niet-ontvankelijkheid beroep zonder hoor en wederhoor

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar handhaafde de inspecteur de aanslag. Belanghebbende stelde beroep in bij het hof, dat hem niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet eerst belanghebbende de gelegenheid had geboden om feiten aan te voeren die het verzuim konden rechtvaardigen, wat in strijd is met de beginselen van behoorlijke rechtspleging.

Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor inhoudelijke behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van belanghebbende.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 januari 1997 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzeke ringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 23.664,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat belanghebbende wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in zijn beroep heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak
beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klacht 3.1. In geval - zoals daarvan in casu moet wor den uitgegaan - een beroepschrift bij het gerechtshof niet is ingediend binnen de in artikel 6:7 jo Pro. artikel 6:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn, dit beroep niet wordt behandeld met toepassing van artikel 18a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, en de wederpartij geen beroep op niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft gedaan waarop de belanghebbende heeft kunnen reageren, brengen de beginselen van een behoorlijke rechtspleging mee dat de rechter niet de niet-ontvankelijkheid van het beroep uitspreekt alvorens hij de belanghebbende uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld feiten aan te voeren, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. 3.2. Nu uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat aan belanghebbende de hiervóór in 3.1 genoemde gelegenheid is geboden, is 's Hofs beslissing niet naar de eis der wet met rede nen omkleed, zodat de klacht gegrond is en de uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in arti kel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.
Dit arrest is op 4 februari 1998 vastgesteld door de raadsheer Bellaart als voorzitter, en de raadsheren Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.