ECLI:NL:HR:1998:AA2586
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Cassatie over toepassing bosbouwvrijstelling en waardering grond bij aanplant snelgroeiend bos
Belanghebbende, een akkerbouwer, ontving in 1990 en 1991 inkomenssteun op grond van een braaklegregeling en plantte een deel van de braakliggende grond met populieren en fijnsparren. Hij ontving tevens bosbouwsubsidies en kreeg vrijstelling van de herplantplicht. Het Hof oordeelde dat de aanplant en exploitatie van de bomen kwalificeert als bosbedrijf en dat de bosbouwvrijstelling van toepassing is op de bosbouwsubsidies, maar niet op de inkomenssteun uit de braaklegregeling. Tevens oordeelde het Hof dat er geen waardevermindering van de grond ten laste van de winst kon worden gebracht omdat de bedrijfswaarde van de grond hoger was dan de boekwaarde.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden cassatieberoep in. De Hoge Raad verwierp het beroep van belanghebbende en oordeelde dat het middel van de Staatssecretaris slaagt omdat het Hof onvoldoende feiten heeft vastgesteld over de instandhoudingseis van het bosbedrijf. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor nadere behandeling en beslissing, waarbij moet worden onderzocht of sprake is van een bosbedrijf en hoe de voordelen en waardeverminderingen moeten worden behandeld.
De Hoge Raad bevestigt dat de bosbouwvrijstelling een ruime uitleg kent en dat de vrijstelling van de herplantplicht niet automatisch betekent dat het bosbedrijf is beëindigd. Ook wordt benadrukt dat de inkomenssteun uit de braaklegregeling losstaat van de bosbouwvrijstelling. De waardering van de grond moet rekening houden met de bedrijfswaarde zonder subsidies, en goed koopmansgebruik verzet zich tegen het direct in aanmerking nemen van waardevermindering door bestemmingswijziging zolang de grond niet definitief is onttrokken aan het landbouwbedrijf.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van belanghebbende, verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond en verwijst de zaak voor nadere behandeling naar een ander gerechtshof.