ECLI:NL:HR:1998:AA7411

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33916
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Bellaart
  • Van Brunschot
  • Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie tegen vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting

Belanghebbende was in 1991 aanvankelijk aangeslagen voor inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op een belastbaar inkomen van f 3.215,--. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van f 29.654,--, inclusief een verhoging van 50% en heffingsrente. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de navorderingsaanslag en het bestreden besluit vernietigde.

Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde meerdere klachten aan. De Staatssecretaris van Financiën verzette zich tegen het cassatieberoep. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en oordeelde dat het beroep niet ontvankelijk was omdat een gegrondverklaring geen gunstiger uitkomst voor belanghebbende zou opleveren.

De Hoge Raad wees ook proceskostenveroordeling af vanwege het ontbreken van de vereiste gronden. Het arrest werd op 16 december 1998 vastgesteld door de raadsheren Bellaart (voorzitter), Van Brunschot en Hammerstein en in het openbaar uitgesproken. Het betaalde griffierecht werd aan belanghebbende teruggegeven.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat een gegrondverklaring niet tot een gunstiger resultaat leidt.

Uitspraak

Nr. 33916
16 december 1998
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 oktober 1997 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f 3.215,--, is over dat jaar een navorderingaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 29.654,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 50 percent en met een heffingsrente van f 1.051,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak alsmede de navorderingsaanslag heeft vernietigd.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het beroep is niet ontvankelijk, omdat gegrondbevinding niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep in cassatie.
Dit arrest is op 16 december 1998 vastgesteld door de raadsheer Bellaart als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot en Hammerstein, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff en in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter wordt dit arrest ondertekend door de raadsheer Van Brunschot.
Het door belanghebbende als griffierecht verschuldigd geworden bedrag van f 165,-- wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.