Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
15.Lock-up
22.Fair Market Value
Fair Market Value” van de certificaten van aandelen door accountantskantoor [E] (hierna: [E]) per 31 december 2006 en 31 december 2007 vastgesteld op nihil. De verkoop en overdracht van de certificaten van aandelen namens belanghebbende heeft plaatsgevonden op 16 juni 2008. De 600 certificaten van aandelen zijn daarbij overgedragen voor een totale prijs van € 0,02.
“Unvested Management Equity Depository Receipts”anders werd bepaald dan voor
Vested Management Equity Depository Receipts”.
door het ontslag(cursivering van de rechtbank) van belanghebbende de door hem gedane investering van € 300.000 haar waarde had verloren (rechtsoverweging 4.5.21). Het Gerechtshof constateert dat belanghebbende hierdoor voor een bedrag van € 300.000 schade leed. Van schade in voormelde zin en tot dat bedrag kan slechts sprake zijn indien de certificaten van aandelen op het moment van overdracht een werkelijke waarde hadden van € 300.000 en belanghebbende ze vanwege het ontslag voor de prijs van nihil heeft moeten overdragen. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat de certificaten van aandelen ten tijde van het ontslag een werkelijke waarde hadden van € 300.000. Steun hiervoor vindt de rechtbank mede in de onweersproken stelling van belanghebbende dat aan andere werknemers bij hun ontslag wel het volledige bedrag waarvoor zij de certificaten van aandelen hadden gekocht, is betaald ter zake van de teruglevering van die certificaten.
3.Het geding in cassatie
BNB1993/5 gaat volgens belanghebbende om meerdere redenen niet op. Zo er al sprake is van negatief loon, is dat niet uiterlijk in 2008 genoten door betaling of vorderbaar en inbaar worden daarvan. Van verrekening, ter beschikking stelling of rentedragend worden, kan evenmin worden gesproken. Belanghebbende meent dat zich veeleer een situatie als in het arrest HR
BNB1989/120 voordoet. Als er al sprake zou zijn van negatief loon, zal dit eerst in 2010 zijn genoten, toen belanghebbende ook de vergoeding van € 300.000 ontving.
BNB2007/118 en 119 alsmede HR
BNB1989/120 betoogt belanghebbende dat hem alleen de waarde van de certificaten van aandelen is vergoed, zodat er zich in zoverre geen te belasten voordeel kan voordoen. Gelet op het arrest HR
BNB2006/94 brengt de omstandigheid dat in geen van de jaren negatieve inkomsten in aanmerking zijn genomen mede, dat (in 2010) ook geen positieve inkomsten in de belastingheffing worden betrokken, dan wel dat in 2010 rekening wordt gehouden met het negatieve loon uit 2007 of 2008.
4.Het eerste middel
BNB2016/44, [10] schreef ik dat voor loon bepalend is het (causale) verband met de dienstbetrekking. Niet vereist is dat een bate een beloning vormt voor de door de werknemer verrichte arbeid. [11] In bedoeld arrest werd dit (wederom) [12] door de Hoge Raad herhaald.
(conditio sine qua non)is voor het verkrijgen van een bepaalde bate.
toereikendecausaliteit te kunnen spreken, wordt algemeen aangenomen dat als beslissend criterium de leer van de redelijke toerekening geldt. Deze leer vat loon op als alle voordelen die, rekening houdende met de maatschappelijke opvattingen, geacht kunnen worden zakelijk aan de dienstbetrekking te worden toegerekend, met uitschakeling derhalve van wat tot de persoonlijke sfeer van de werknemer behoort. [13] Wanneer het ‘voordeel’ een nadeel is, is sprake van negatief loon.
BNB2016/156 betrof een belastingplichtige die certificaten van aandelen in zijn werkgever had gekocht. [14] Daarbij gold een blokkeringsperiode van drie jaar. Binnen deze periode konden de certificaten alleen bij uit dienst treden en alleen aan de vennootschap worden verkocht, tegen het lagere bedrag van de geldende marktwaarde of € 20, € 22 respectievelijk € 24 per certificaat bij vertrek in het eerste, tweede dan wel het derde jaar van de blokkeringsperiode. Bij het einde van belanghebbendes dienstbetrekking zijn de certificaten verkocht voor € 24 per stuk. De marktwaarde bedroeg op dat moment € 37,13. In geschil was of het aldus geleden verlies van (in totaal) € 289.611 als negatief loon kon worden aangemerkt. Gerechtshof Amsterdam had onder verwijzing naar HR
BNB2010/165 [15] geoordeeld dat geen sprake was van een verlies dat geheel en rechtstreeks zijn oorzaak vindt in de dienstbetrekking, zodat het bedrag niet als negatief loon kon worden aangemerkt. De Hoge Raad casseerde dit oordeel. Hij overwoog als volgt:
BNBschreef hij onder andere (voetnoten weggelaten): [16]
BNB2016/44 werd psychisch leed inherent aan de afwikkeling van de dienstbetrekking geacht.
BNB2000/323: [25]
BNB1986/18. [27] Hier prevaleerde de relatie geldlener-geldverstrekker. Een werkgever betaalde aan zijn werknemers rente op door hen bij hem aangehouden spaartegoeden. Naar het oordeel van het Hof had de inspecteur onder meer niet aannemelijk gemaakt dat een bovenmatige rente werd vergoed. De Hoge Raad overwoog:
Van Soesteen overzicht gegeven van jurisprudentie inzake de cumulatie van hoedanigheden. Hij schreef:
BNB1990/109 (werkgeefster koopt woning van werknemer tegen te hoge prijs om hem van niet-verhaalbare schuld te bevrijden); [28]
BNB2008/82 geeft voorbeelden van uitzonderlijke situaties waarin een voordeel uit een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting niet hoeft te worden aangemerkt als te zijn genoten uit dienstbetrekking. De Hoge Raad overwoog: [30]
BNB1982/18. [31] In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat het presentiegeld dat een lid van de ondernemingsraad genoot, onderdeel vormde van het belastbare loon:
5.Het tweede middel
6.Het derde middel
BNB2006/94 [41] had zich wederrechtelijk gelden toegeëigend die die waren gestort ten name van de een vennootschap waarvan hij directeur/enig aandeelhouder was. Deze bedragen waren niet in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Na te zijn aangesproken door degenen die de gelden ter belegging hadden gestort, heeft de belanghebbende aan deze derden een bedrag terugbetaald. In geschil was of dat bedrag kon worden aangemerkt als negatieve inkomsten. De Hoge Raad overwoog:
BNB2006/95 betreffende de terugbetaling door een erflaatster van gedurende vele jaren onterecht ontvangen kinderbijslag. [42]
éénmaal in de heffingmoeten worden betrokken, heeft ook een broertje, te weten dat de terugbetaling van een belaste post aftrekbaar moet zijn behalve wanneer de bate in werkelijkheid onbelast is gebleven. Aldus besliste de Hoge Raad ten aanzien van de terugbetaling van gelden die een werknemer zich wederrechtelijk van zijn werknemer had toegeëigend. In die zaak werd ook gewezen op redelijke wetstoepassing, maar strikt genomen past de beslissing niet precies in de onderhavige categorie omdat de genomen beslissing ook al voortvloeide uit de wetsgeschiedenis. [48]
BNB2016/156 [49] moet dat vermogensverlies worden aangemerkt als negatief loon.