ECLI:NL:HR:1999:AA2780
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale winstbepaling en fiscale eenheid in vennootschapsbelasting 1991
X B.V. was moedermaatschappij van een fiscale eenheid bestaande uit A N.V. en B N.V., respectievelijk actief in schade- en levensverzekeringen. In 1991 behaalde A N.V. een boekwinst van ƒ44.000,-- uit de verkoop van aandelen. De vraag was of deze boekwinst buiten de fiscale winst kon blijven bij de vennootschapsbelasting.
Het Hof oordeelde dat in beginsel bij verkoop van aandelen winstrealisatie plaatsvindt, ook indien verkoop gevolgd wordt door aankoop van andere aandelen, tenzij de nieuw gekochte aandelen economisch dezelfde plaats innemen als de verkochte. Dit was hier niet het geval, omdat de effectenportefeuille van A N.V. uit verschillende categorieën bestond en de nieuwe effecten niet dezelfde economische functie hadden.
Voorts verwierp het Hof het standpunt dat een vervangingsreserve kon worden gevormd op grond van artikel 14 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, omdat dit niet geldt voor effecten die als belegging worden aangehouden. Ook de stelling dat artikel 14 van Pro het Besluit reserves verzekeraars onverbindend is vanwege strijd met artikel 15 en Pro 29 van de Wet op de vennootschapsbelasting werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 14 van Pro het Besluit op redelijke gronden is vastgesteld en niet in strijd is met de wet.
De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie en bevestigt het oordeel van het Hof dat de boekwinst moet worden belast en dat de fiscale reserveringsmogelijkheden niet van toepassing zijn. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en het oordeel van het Hof bevestigd dat de boekwinst uit aandelenverkoop belastbaar is en artikel 14 van het Besluit reserves verzekeraars niet onverbindend is.