ECLI:NL:HR:1999:AA2825
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Vorming van vergrijzingsreserve in vennootschapsbelasting niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik
Belanghebbende, een moedermaatschappij binnen een fiscale eenheid, had voor het jaar 1987 een aanslag vennootschapsbelasting ontvangen gebaseerd op een belastbaar bedrag van ƒ 38.014.750,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betreft de vorming van een vergrijzingsreserve door belanghebbende, een voorziening bedoeld om toekomstige stijgende uitkeringen aan verzekerden te dekken. Het Hof oordeelde dat deze reserve niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik, omdat premies over verstreken verzekeringstijdvakken niet als nog niet verdiend mogen worden gepasseerd en niet voldaan is aan voorwaarden voor het vormen van een voorziening of reserve.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. Hij stelde dat premies voor een jaar verzekeringsrisico als volledig verdiend moeten worden beschouwd na afloop van dat jaar, ook al kan de verzekering niet worden opgezegd en is er een opslag voor de reserve in de premie verwerkt. De mogelijkheid tot premieverhoging op grond van de en-bloc-clausule en het ontbreken van redelijke zekerheid over toekomstige uitgaven maken het vormen van een dergelijke reserve niet toegestaan.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat de vergrijzingsreserve niet als zodanig kan worden gevormd volgens goed koopmansgebruik. Tevens werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting wordt gehandhaafd zonder toekenning van proceskosten.